Van ‘verst’ naar ‘verder’

Hallo iedereen.It's open, although it shouldn't be

Vóór mij op de tafel ligt een blad vol onuitgesproken gedachten. Het éne na het andere ongeboren woord schreeuwt er thans om aandacht in de hoop onvergeteld te kunnen raken, overschaduwd als het wordt door de lasten van het verleden. Want ja: de toekomst ligt aan de áchter- in plaats van de vóórkant van dit vel papier, dat is waar – dat is de waarheid, het streven; maar het zou naïef zijn te denken dat die waarheid kon bestaan zonder de achter-achterkant van haar eigen gelijk. Er is geen waarheid zonder dáárheid. En dáár, ja dáár wil ik het toch nog even over hebben.

Er is een reden waarom we ons soms machteloos voelen. Het is omdat er geen woorden voor onze eigen wantoestand bestaan. In het summum van onze wijsheid komen we nog altijd handen en voeten tekort om de beweeglijkheid binnenin onszelf te kunnen beteugelen. We praten over zielen en harten, bezwaard en gebroken. We huilen tranen die niet willen opwellen. Alles in ons lijkt al vast te liggen en daardoor zitten we op slot; aldus draaien we het vel papier vóór ons op de tafel als een sleutel om, in de hoop dat we de indrukken van de dáárheid kunnen overschrijven met dikke striemen van een welgemeend, maar clichématig doorzettingsvermogen.

Eigenlijk is het toch een belachelijke gang van zaken. Als de woorden niet bestaan, wat let ons dan om ze te ontwerpen? Wat let ons om wat letters binnenin ons locabuvaire om te draaien en het daarmee van nieuwe impulsen te voorzien? Enkel omdat een gedachte niet verwoord werd betekent niet dat ze per definitie onbestaat: het betekent enkel dat ze nog niet algemeen gedefinieerd is; en dat is juist een groot goed, want daardoor kunnen we er tenminste een éígen invulling aan geven. Ongeholen tranen zouden heus niet minder bitter hebben gesmaakt mocht het woord ‘verdriet’ nooit hardop zijn uitgesproken; dus vervloester die tranen dan ook maar als de verrijpelingen van uw eigen dáárheden, alstublieft.

(more…)

Iedereen in Niemandsland

Een waarschuwing vooraf: dit is een verhaal van zo’n 7 A4’tjes lang en het gaat bijna nergens over.

Een ieder mag mij voor gek verklaren en verder scrollen naar een grappig poezenplaatje met een pakkende tekst erop geplakt: dat is iets wat ik zelf ongeveer 10 keer per dag doe, hoor. ‘Wat een gelul’, hoor ik iemand al denken; en die persoon heeft op zijn eigen manier hartstikke gelijk. Neem een dubbele cerveza op mijn gezondheid, ouwe pik!

Maar goed, voor alle overige enkelingen: die lap tekst dan maar. Een nogal tegenstrijdig geval is het, die lap. Het is op het moment van schrijven namelijk uiterst eenzaam binnenin mijn bovenkamer en dat ben ik niet gewend. De éne na de andere pompeuze stilistische oprisping probeert zich momenteel via het denkraam binnenin die bovenkamer eenweg naar de buitenwereld te worstelen om dan uiteindelijk – geheel tegen de traditie in – een anonieme dood te sterven op het puntje van mijn verstomde tong. Op het moment van spreken lijkt het me een raadsel hoe ik ooit nog één enkel A4’tje volgebruld zal kunnen krijgen.

mh17vlag

Want, nee: dagen als deze lenen zich nietvoor vragen over interpunctie of neerbuigendheden omtrent incorrect ‘dt’-gebruik. Dagen als deze vormen tezamen een ellendig lang weekend waarin duizenden losse zinsdeeltjes elkaar ononderbroken naar het leven staan. Het is een tijd vervuld van anglistische punchlines en dramatische denkpauzes. Het is een tijd van stukjes tekst die net zoveel met zichzélf vechten als met de toehoorders ervan. Een tijd van herhaling is het, van terugkerende woordgroepen en uitgekauwde oneliners: van al die losse zinsdeeltjes dus, elke keer gevolgd door een nieuw punt gevolgd door een nieuwe punt. En nog een punt, en nóg één. ‘Moe’ zou je ervan worden – en ‘moe’ wordt ook dat stukje tekst zélf: het schijnt zich maar geen fatsoenlijk einde toe te kunnen bedelen…

(more…)

Hartgemeen

Het hart is moe. Het voelt zich zwak en onbegrepen. In krachteloze pulsen probeert het een onbestemd verdriet van zich af te schudden – maar die neerslachtigheid beklijft als dikke druppels angstzweet in een ijle atmosfeer waarin het maar moeilijk ademhalen is. Het hart kan de slaap niet vatten en zeurt daarom het lichaam ook maar wakker, gelijk een zuigeling geplaagd door onvertaalbare nachtmerries.

hartgemeenWat wil je van me, mijn mooiste, liefste hart? Wat kan ik je vertellen, behalve hetgeen je al wist – dat ik niet zonder je kan? Waarom lijk je me niet meer te willen geloven?

Het hart antwoordt niet. Als een klein kind schurkt het zich snikkend tegenaan mijn borstkas en mist aldaar een moederborst, misschien, of een luisterend oor dat zich evenzeer tegenaan mijn lichaam durft te drukken. Het hartje schreit en zeurt en zucht om en om naar aandacht – zo ongelooflijk zachtjes en toch zo onwerkelijk merkbaar dat het al de rest in mij tot wanhoop aanzet: op dit moment lijkt slechts een ánder mijn hart nog te kunnen troosten.

Hoe vaak moet ik het nog zeggen, arm ding? Je weet toch dat ik alles voor je doe zolang wij tweetjes nog alleen zijn? Je snapt toch wel dat niet alles te forceren valt?

Of misschien snap je er totaal niets van – dat zou geheel begrijpelijk zijn. Het is allemaal ontzettend moeilijk om uit te leggen, ook: je bent nog maar zo jong, eigenlijk. Neem het van mij aan: je zou je juist gelukkig moeten prijzen om je huidige stemming. Wat je voelt, is de vergankelijkheid van onze gezamenlijke onschuld. Je beseft dat we iets moois aan het verliezen zijn en dat we het nooit meer terugkrijgen. Ik weet het: het is een pijnlijk proces, maar wanhoop niet – ook een volwassen mens mag nog weleens naïef zijn, hoor. Onze dromen zijn nog niet geheel verloren.

Kun je jezelf een tijdje tevredenstellen met mijn zoete woordjes, lief klein hart? Heb je voorlopig nog genoeg aan mijn eigen omgekeerde handpalm om tegenaan te bonzen? Mag mijn luisterend oor zich weer héél eventjes op het hoofdkussen vleien, alsjeblieft?

Het hart is moe, ja – en ‘geheel tevreden’ nog in géén geval; echter heeft het wél de kracht hervonden om één dag langer dan vannacht weerstand te bieden aan die ontastbare druk van buitenaf. De tranen zijn niet opgelost, ze worden niet vergeten; maar langzaamaan glijden ze af naar een plek binnenin het lichaam alwaar ze dan tenminste toch verwerkt kunnen worden. Een dergelijk compromis levert wat gemoedsrust op; en zo, in de welgemeende hoop ooit nog eens in dromen te ontwaken, suste ik mijn hart weer lieflijk terug in slaap.

Een schop in mijn kop

diesel-engine-turbocharged-16-cylinder-28678-2437233De naald van de benzinemeter staat op nul. Op de dieseldampen van mijn laatste kunnen kan ik nog éénmaal de hele wereld verwensen, alvorens er volledig toegewijd in te willen vervluchtigen. Ik heb me laten vertellen dat uitlaatgassen in het algemeen – en waarschijnlijk dieseldampen in het bijzonder – weliswaar niet gezond zijn voor de algehele gesteldheid van een mens, maar daar plaats ik graag een kanttekening bij: dergelijke rotzooi verplaatst zich namelijk onherroepelijk naar bóven, alwaar het opgaat in de wereld van het gespuis waarvoor ik thans ben weggevlucht. Dat zal ze leren.

Ja: u mag mij best een slappeling noemen. Ik neem de wijk voor een stel knulletjes dat luidruchtig een simpel avondje stappen beklonk met wat halflauwe pintjes in de kamer boven mij. Sterker nog: deze slappeling is muisjesstil op kousenvoeten vertrokken, opdat de heren eerderjarigen toch maar vooral geen last zouden ondervinden van de aftocht dezer gefrustreerde, gefaalde en bovenal overjarige student. God: wat heb ik die jongelui afgelopen nacht verwenst, alsof mijn hoge bloeddruk het dronken gelal en bijbehorend provocerend muurgeklop probeerde te overstemmen middels zoiets onbruikbaars als de aanvang van ‘s mans allereerste eerste hartaanval. Maar nee: ik ben een slappeling, mijn hart kan weigert de nobele dood der confrontatie te sterven. Het enige dat ik wist te bedenken waren meer bedenksels, zelfgeschreven scenario’s waarin ik in mijn eentje de stoere bink uithang tegenover drie piepkuikens die enkel in geschiedenisboeken de jaren ’80 hebben gezien.

(more…)

Dopjes-symfonieën

cubicleTja, hallo. Daar zijn we weer. ‘Vroeg op’ noch ‘laat aan het inslapen’.

U raadt het al: mijn bioritme is maar weer eens totaal naar de vaantjes. Aldus dwingt schrijver dezes zichzelf momenteel tot een dagelijks bibliotheekbezoek – op die manier vangt men nog enige snippers daglicht op én vindt er toch iets van ‘structurele productiviteit’ plaats. Het is een holistische ervaring, zou je kunnen zeggen: wie goed doet, voelt zich goed en beweegt als zodanig vanzelf met de juiste stroming mee. Zo heb ik dat tijdens het schrijven van mijn boekje gedaan, zo gaat dat nu dan ook weer. Op zich werkt voornoemde methode redelijk: op dit bepaalde moment heeft uw geliefde woordenartiest toch maar mooi drie uur aan reguliere nachtrust achter de kiezen. Dat belooft (‘veel goeds’, moet je in gewoon ‘Nederlands-Nederlands’ daar nog aan toevoegen) – hoewel er toch een kink in de kabel lijkt te zitten die een normaal dagritme mijnerzijds vooralsnog ernstig weet te verstikken.

Want wat blijkt: in een bibliotheek valt het lézen van een boek me zwaarder dan het schríjven ervan. Hoe ironisch en tegenstrijdig, hoe poëtisch maar totaal onpraktisch is dat eigenlijk: jezelf omgeven te weten door honderden en honderden monumentale geschriften, waarvan sommigen smeken om gelezen te worden terwijl anderen liever met rust worden gelaten; maar waarvan geen enkel exemplaar in diens individuele wens tegemoet wordt gekomen. Ik betrapte mezelf erop naar de ruggen van vuistdikke Wetboeken te kijken en naar hun gortdroge inhoud te raden, in plaats van me te concentreren op de relevante materie die me vanaf een glanzend tafelblad leek toe te schreeuwen in duizenden typische volzinnen zoals u die, als (hopelijk) trouwe lezer, ondertussen wel als onderdeel van mijn schrijfstijl zult herkennen.

(more…)

Overschreven (en verbeterd)

toreadorZij wordt Jou, dus Jij verdwijnt –
maar wat ik wou, blijft onderlijnd;
en elke letter van Jouw Naam
– die in van Haar, is terug te vinden –
vertelt in spetters Ons verhaal:
nieuwe waarden, lucht van ginder.

Zij wordt Jou – en nu al reeds –
in wondersblauw waarin ik schreef,
dat elke zin die hiertoe leidde
niet voor niets zal zijn gebleken;
dat dat begin zich al verwijdert
en vervliedt in pennenstreken.

Jouw verhaal loopt hier ten einde,
zou verbaal gewoon verdwijnen
mocht ‘t nooit zijn opgeschreven,
als ‘t niet was doorgestreept –
en toch, daardoor, zij Je vergeven:
zie, Je wordt zelfs voortgeleefd!

Zij wordt Jou, Jij bent verdwenen:
wat ik wou, ik heb het heden –
op mijn papier zijn Wij al echt,
de rest wellicht in mij in ‘n vouw;
En Jij bent hier en Zij is weg:
En “Ik” blijf “Ik”

____________


…maar “Jij” wordt “Jou”.

Oude Man, meet nieuwe Oude Man

insuff

Buiten regent het. Een oude man in een oude jas loopt ergens heen; bestemming, motief noch doel zijn aan mij bekend. Uiterst traag beschrijft hij de weg die zich vanuit mijn raam tot aan het einde van de straat uitstrekt, als was het een eerste onbeholpen poging van een 10-jarige basisschoolleerling om zaken in andermans perspectief te tekenen. In mijn gehaastheid merk ik niet op, dat de oude man in de oude jas ondertussen alweer achter mijn 10 jaar oude computermonitor is verdwenen. Zijn voetstappen sterven stervenstraag weg; edoch net snel genoeg om ze te missen.

Want het leven is hoe dan ook gehaast. Er is nauwelijks nog tijd om dergelijke stukjes te schrijven. Momenteel werkt elke minuut in mijn nadeel; ik worstel met andermans deadlines en vecht tegen mijn eigen onbegrip daarover. Studies conflicteren met toekomstplannen, terwijl ze eigenlijk in dienst van elkaar moeten staan. Van elke 30 euro die ik te besteden heb, geef ik er 35 uit. De nacht omarmt me opdat ik niet uit de voeten kan met het daglicht. Het leven heeft haast me in te halen en me op de knieën te dwingen. Rusteloos berust ik in berusting; steeds vaker neemt het computerscherm mijn volledige raamwerk in beslag.

Zelfs de vastigheden van nog-maar-enkele-maanden-terug lijken tergend langzaam te verdwijnen. De oude man in de oude jas heb ik in geen tijden meer gezien; misschien heeft het leven hem reeds lang geleden voorgoed bijgehaald. Nu de stad in recordtempo aan het leeglopen is gelijk de traanbuizen van hen die daarvoor verantwoordelijk zijn, zie je de vaste bewoners voorzichtigjes uit hun schuilplaatsen kruipen. De gemiddelde leeftijd van de gemiddelde Leuvenaar neemt daardoor per dag met een factor een-punt-drie toe; de bedrijvigheid die dit stadje normaliter zo weet te tekenen, stort dientengevolge als een kaartenhuis in elkaar. Mijn leven blijft echter gehaast van karakter, wordt in die hoedanigheid nu zelfs lichtelijk ongepast – en zulks besef ik mij terdege. Ik heb het perspectief van de rechtlijnigheid nodig, een monumentaal soort van rust waarin de twijfel de overhand mag krijgen. Waarin alles nog altijd verbazing op kan roepen.

(more…)

Canon

Ik snap ‘t niet: je kijkt zo lief,
zo innig welgemeend;
En wat ik zie, ‘t lijkt me niet
verminderd of versteend

Dat kan ook niet: men blijft verliefd,
‘t tintelt als men weent;
En dat verdriet, ‘t twijfelt niet –
‘t wil dat jij me breekt.

canonJij, die constant naast me zit
in stemmig-rode lichten –
beiden ondermaats belicht
… maar elke foto dichter

En daar zijn dan die ogen ook,
die lenzen in de lens,
die waarlijk naar vermogen schoot,
twee mensen… maar één wens.

Ikzelf zie ‘t plaatje niet
terwijl ‘t wordt vervaardigd;
Welwillendheid verraad je niet,
kijkt daarom nog zo aardig

Welwillend lief, na maanden strijd,
word ik nog aangestaard
in beelden die bestaan in feit,
in “klik”-dot-apenstaart.

Maar nu pas dus, zie ik ze weer –
die ogen van ons samen;
Geen ruzie: rust; geen minder: meer –
bedrogen nog ‘t drama.

Mijn God, mijn lief: wat deed je daar,
hoe kon je ons bedriegen
in shots, archief, in weet-ik-waar –
op rollen negatieven.

En dan opeens, vind ik iets geks
in platen vol gepriegel;
Waarna ik weet, van jouw reflex:
je staarde naar de spiegel.

Dus snap ik nu, je lieve blik,
beschouwd als welgemeend;
Want achteraf: verliefd was ik
op jou… maar niet alleen.

Rij 11, stoel b

Het is een irrationele angst. Vliegtuigen storten in mijn belevingswereld onherroepelijk neer – het is een kwestie van statistieken, van transmuterende cellen die elkaar verwarren totdat een essentieel onderdeel in de kern wordt geraakt en de hele boel als een kaartenhuis op zichzelf ineenstort. Tonnen van staal zullen steeds op zoek gaan naar hun oorsprong – een beginsel dat ooit diep in de aarde verborgen ging, een geboorte van ingeslapen mineralen die met de minuut middels een gewelddadige dood bestendigd zal worden. Tonnen van staal horen absoluut niet in ons onmetelijke luchtruim thuis, kilometers boven de hoofden van mensen die simpele concepten als medemenselijkheid en inlevingsvermogen niet eens kunnen vatten. En wij horen dus ook niet in die tonnen staal thuis. Waar we wel thuishoren, wel – dat leert ons de ondergang, de onvermijdelijkheid.

Mathematisch gezien mag het allemaal misschien prima kloppen, dat reizen van punt A naar uitroepteken X. De knapste koppen hebben geleerd van de fouten van hun voorgangers en stroomlijnen aangepast, de kleinste onderdelen van elk vliegtuig vervangen door tienduizenden kleinere onderdelen. Ze hebben ons minder afhankelijk gemaakt van de grote gehelen in een leven dat zich inmiddels halverwege de stratosfeer afspeelt. Maar die grote gehelen zijn nu juist van vitaal belang: er is meer tussen hemel en aard. Dat schemergebied is een breking van dimensies, waarin plaats en tijd van positie wisselen om dan in gedachten op te flakkeren, in onverstaanbare of onbegrijpelijke aaneenschakelingen van woorden naar buiten treden. Zoekend naar de zin van de menselijke waardigheid, zich welbewust van het aanstaande verlies van ons bewustzijn – zo spelen schaapachtige strepen in de lucht spelletjes met ons voorstellingsvermogen. Totdat de streep zichzelf in een onnatuurlijke hoek van 90 graden ombuigt en daarna als een stervend herfstblad zijn eigen staart probeert op te eten.

Er is bedenktijd tussen het moment waarop het neerstorten begint en de onherroepelijkheid van de inslag waarin ook wijzelf tot tienduizenden onderdelen worden gereduceerd. Tussen Punt A en uitroepteken X ligt een gapend gat vol opgekropte komma’s, die enkel via het proces van een aanstaande ondergang naar de voorgrond worden gedrongen. Het zijn de bijzinnen in ons leven waarvoor we ons normaliter misschien zouden schamen; tevens de essenties die datzelfde leven telkens bijeen hebben weten te houden door middel van een op een het oog overbodig werkwoord, een uitgekauwde volzin die overloopt van pretenties maar goed van inborst is. Soms zijn weinig woorden nu eenmaal niet genoeg om dit alles te kunnen omschrijven. Soms durf je te denken aan scenario’s waarin enkel die tonnen staal terug naar de oorsprong gaan; waarin jij jezelf daarna verder kunt ontplooien in een wolk van tienduizenden opwellingen van medemenselijkheid. Soms tref je iemand in je vliegtuig aan die het ingecalculeerde neerstorten tot een dragelijke belevenis maakt. Stel jezelf zo iemand eens voor… en denk je eens in, wat zij nu wel niet van dit alles moet denken!

(more…)

De stilte verklaard

Het is heel raar.. Telkens kijk ik de andere kant op, kijk ik naar anderen die mij moeten vermaken in plaats van andersom – terwijl het toch eigenlijk altijd andersom is geweest. Ik snap mijn eigen verwachtingen niet meer, val terug in patronen waarvan ik weet dat ze me niets meer zullen brengen dan tijdelijke afleiding. Een levensgroot probleem wacht mij op, overal waar ik ga; ik durf geen straathoek meer om te slaan, geen straat meer over te steken, hoop feitelijk geschept te worden door een zwaar industrieel voertuig op klaarlichte dag, midden in mijn eigen woonruimte. Het gaat allemaal zo traag en log, zie je: alsof een pletwals tergend langzaam rondjes over mijn maagstreek heenrijdt, waardoor allerlei sappen allerlei kanten opschieten zonder vooropgezet plan. En dus prevel ik, bid ik om een genadig eind of een levensvatbaar vervolg. Mijn hart snapt er helemaal niets meer van, sust zichzelf in slaap en wordt dan met horten en stoten wakker. Alles is opeens veranderd – er is schoonheid, er is intens verdriet; het volgt elkaar op, raakt elkaar aan, raakt verstrengeld in een kluwen waar geen mens meer wijs uit kan worden. Het is heel raar.

Ik weet dat ik hier niet meer uit ga komen, dat deze vreemde inham in mijn leven te intens en te interessant is om te verlaten. Wellicht loopt deze onbestemde uithoek dood – zo nu en dan zie ik iets in de verte dat op een hemelshoge muur lijkt, een onbedwingbaar object dat schudt en beeft, alsof het elk moment in al zijn glorie naar beneden kan storten en mijn miezerige aanwezigheid tot gruis zal reduceren – maar de hoofdweg van mijn leven leek toch al in staat van verval, klaar om afgesloten te worden zonder concrete plannen voor renovatie. De inham werd zodoende mijn redding, maar het concept van redding is mij volstrekt vreemd. Alles is heel vreemd.

(more…)