Het Oneindige Verhaal van het Onbeëindigde Verhaal (2)

Laat ons verdergaan met het verder analyseren van de geflopte roman. Mocht u daarover het fijne willen weten, dan verwijs ik u graag naar de vorige post (deel 1) uit deze (nog op te bouwen) serie. Al behandelde snuisterijen als het overmatig gebruik van alinea’s, de moeilijkheden met interpunctie en het nogal decadente, beschrijvende taalgebruik – lever er gerust commentaar op; om de omslachtigheid van deze post wat te beperken, zal ik deze zaken zélf echter niet meer aanhalen.

Hoofdstuk 2 is het meest gekunstelde halffabricaat van het geheel – het is immers geheel en al achteraf geschreven, als een laagje jam tussen twee laagjes taart. De houdbaarheidsdatum van deze confituur is echter van dubieuze aard. Tot mijn grote schaamte en verrassing, moet ik bekennen dat ik Hoofdstuk 2 allang vergeten was; alsof het net zo goed weggelaten had kunnen worden. Wellicht heb ik het bewust verdrongen, als een onderdeel dat later nog wel ergens aan- en ingepast zou worden. Om één en ander beter te kunnen begrijpen, zal ik mijn gedachtegang van destijds (het feitelijke schrijven) proberen te reconstrueren.

De overgang van Hoofdstuk 1 (Terug, hier) naar Hoofdstuk 2 (Koffie, koffer – nu Hoofdstuk 3) is te bruusk. Er zijn weinig verbanden die de lezer met het verhaal vertrouwd maken; teveel “zoekwerk”, dus. Slechts de hoofdpersoon maakt zijn rentree, maar wel in een vreemde setting die niks met de omgeving uit Hoofdstuk 1 te maken heeft. Er worden andere personages geïntroduceerd, maar ze blijven nog wat vlakjes. Bovendien begint Hoofdstuk 2 met het geklik van een deurslot; misschien is het beter om uit te leggen, waar die klik vandaan komt.

Wel, als ik bovenstaand gedoe nog eens in overweging neem, dan snap ik er eigenlijk nog veel minder van: Hoofdstuk 2 lijkt kunstmatiger dan ooit, zelfs. Ik zal u niet langer in spanning houden, en het gewraakte vodje hieronder volledig vermelden. Mijn eigen commentaar volgt na het citaat – om nu in de tekst zelf te gaan rommelen, nee. Dat zou er waarschijnlijk te slordig uitzien en een eventuele “flow” doorbreken.


Terug, daar

Zeven jaar geleden verliet Kim het huis voorgoed, wellicht gedreven door carrièremakelarij of een sterke kinderwens. Slechts enkele maanden hadden zij en Martin het met elkaar weten te rooien. Net als het pleisterwerk van hun twee-onder-een-kapwoning vertoonde de relatie tussen deze twee mensen al scheuren voordat de fundamenten van een gelukkig huwelijk ooit gelegd werden.

Martin Schreuder, een getalenteerd student petrochemie, viel na een “sabbatical year” terug in “un année sans” om daarna bij een particulier taxibedrijf zijn leven terug in te kleuren. “Zolang mijn leven niet vooruit wil kan ik beter anderen verder op weg helpen. Wellicht kruist het ultieme geluk mijn zebrapad nog eens,” dat was feitelijk de filosofie waaruit hij zijn brandstof putte – en niet geheel zonder resultaat. Op een dag vleide Kim neer op de achterbank van Martins Chrysler; enkele uren later vervoegde de chauffeur zich bij zijn klant en de rest laat zich raden. Op korte termijn, dan toch.

Hij was egoïstisch geweest door haar langer dan een half jaar aan het lijntje te houden – maar wat wil je, wanneer je aanstaande schoonvader opeens “de facto” je baas blijkt te zijn geworden?

Zoals Martin via een vaste taxiklant geleidelijk was ingestroomd in zijn nieuwe functie bij een gereputeerd maar noodlijdend petrochemisch laboratorium, zo verscheen Kims pa van de een op de andere dag ten tonele om de hele tent uit het slop te trekken. Er werd druk gerenoveerd, hergestructureerd en bezuinigd op allerlei zaken – niet in de laatste plaats op mankracht. De vrijzinnige relatie die zijn dochter onderhield met Martin werd zodoende een troefkaart, welke laatstgenoemde gedurende die moeilijke maanden steeds vaker achter op tafel gooide, wanneer hij werd aangesproken op zijn gebrek aan ervaring of slordigheden in de door hem geproduceerde tussenrapportages. Het contact met zijn oude collega’s verslechterde, terwijl nieuwe werknemers schijnbaar al bij de ingang hadden vernomen dat je Martin het beste met “Judas” kon aanspreken.

Het geweten knaagde aan Martins ziel, net zolang totdat er simpelweg geen knaagbaar materiaal meer over was; zijn geest wist niet meer waar hij het zoeken moest. Zijn vriendin vond steeds minder liefde bij, voor en in Martin. Haar vader, zelf gescheiden na 25 jaar van ontrouw en altijd verblijvend in luxe hotels, kwam steeds vaker onder vuur te liggen door de liefde voor zijn enige dochter en de consequenties daarvan – de ondernemingsraad van het lab rook onraad en stelde de crisismanager uiteindelijk permanent op non-actief. Zo kon het gebeuren dat vaderlief, een taxirit van dertig gulden en een interne huilbui van vijf seconden later, beschaamd bij Martin en Kim aanbelde voor kost en inwoning.

Dat was zeven jaar geleden; zes jaar en 364 dagen terug vertrok Kim geruisloos uit het leven van twee mannen waarvoor ze had geleefd en geleden. Dat klinkt gek en rigoureus, maar feitelijk was het een acceptabele onderneming. Haar vader zou teveel van haar verwachten, als ware Kim een surrogaat voor de verloren huiselijkheid van zijn voormalige echtgenote. Zelf stelde ze al een tijdje te hoge eisen aan het omhulsel dat ooit aan haar vriend toebehoorde. Door te verdwijnen bespaarde ze haar pa de dagelijkse, vleselijke confrontatie met zijn nieuwgeboren nutteloosheid; tevens zou Martin verlost zijn van het blok aan zijn been en in ieder geval zijn baan veilig kunnen stellen. De tranen welden op in haar diepgroene kijkers, maar ze wist ze te onderdrukken terwijl ze zachtjes de voordeur dichttrok en enigszins beduusd de straat opliep.

Alinea 1 begint gelijk met de introductie van een nieuw karakter, Kim. Zij is (of was, blijkbaar) Martins vriendin. We komen te weten dat ze weggaat, hoe ze Martin ontmoet heeft en dat ze een vader heeft. Die vader is ook een nieuw personage, en blijkbaar een belangrijke figuur, aangezien hij (via zijn werk) direct met Martin verbonden is. Wel lezen iets over carrières en hun morele implicaties. Dat was het wel zo’n beetje.

De lengte (korte?) van dit Hoofdstuk geeft op zichzelf al aan, dat het hier een soort koppelstukje betreft. Hoofdstuk 1 was ook erg kort – maar inleidingen mogen vreemd en kort (of juist heel lang) zijn, naar mijn bescheiden mening. Wanneer je klaar bent om het verhaal “echt” te laten beginnen, dan is een koppelstuk natuurlijk wel een zeer ellendige constructie. De lezer krijgt opeens een hele sloot aan informatie te verwerken. Bovendien verschuift het taalgebruik van gestileerd naar feitelijk (om uiteindelijk toch weer over te gaan in stijlfiguren), gaat het tempo van enorm traag opeens over naar de hoogste versnelling en verdrievoudigt het aantal hoofdpersonen.

En het klinkt ook allemaal zo afstandelijk, als een voorbereide speech over jaarcijfers waar af en toe een persoonlijk detail in verwerkt mocht worden. Over jaarcijfers gesproken: in welk jaar bevinden we ons nu eigenlijk? Blijkbaar bevindt Martin zich in Hoofdstuk 1 in het jaar “Hoofdstuk twee + 7”. Die omschrijving zal op de lezer van deze post net zo vreemd overkomen, als op de lezer van mijn geflopte roman, die het bovendien ook nog zelf moet zien uit te vogelen.

Waar ik op een dergelijke intuïtie van de lezer vertrouw qua jaartallen, kan ik het blijkbaar niet opbrengen om hetzelfde te doen op het gebied van karakterontwikkeling. Die wordt in een aantal compacte zinnen uit de doeken gedaan, met als resultaat een verminderde spanningsboog. Goh, wat zou er in het volgende hoofdstuk gebeuren – ze werden allemaal ontslagen en gingen hun eigen weg? Spannend. Dit soort zaken dient men als schrijver, zeker aan het begin van een verhaal, aan de lezer toe te vertrouwen.

Lezen (van fictie of tot-dan-toe onbeschreven non-fictie) draait vooral om inlevingsvermogen – wat maakt het uit als een lezer zich bepaalde zaken anders voorstelt dan uiteindelijk het geval blijkt te zijn? Die onzekerheid bindt hem of haar juist aan ons, schrijvers. En juist dat feit onderscheidt “het boek” zo prachtig mooi van bijvoorbeeld “de film”. Als je “het boek” hebt gelezen en je ziet “de film”, dan zien de karakters er opeens heel anders uit, ze praten ook vreemd en de omgeving ziet er maar raar uit. Een film op zich kan prima rondkomen van een goede plot; maar toch zijn bepaalde zaken anders omdat ze letterlijk worden “uitgebeeld”. In een boek mag en kan alles anders – laten we dus geen afbreuk aan die situatie doen, door onze papieren personages gelijk in het keurslijf in te binden.

Datzelfde geldt ook voor de “deur-klik”, die aan het begin van Hoofdstuk 3 aan bod zal komen. Waarom moet zoiets direct uitgelegd worden? Het is een belediging aan het adres van de lezer – eens te meer, omdat diezelfde “klik” aan het eind van Hoofdstuk 3 nog eens uitgelegd wordt!

Bovendien praat ik mijzelf al vast in een hoek; ik moet me immers aan de geboden feiten blijven houden, en dat al vanaf Hoofdstuk 2. Zoals ik al zei, kon ik me oorspronkelijk niets van Hoofdstuk 2 herinneren; fouten sluipen er dan heel gemakkelijk in, en plot-gaten of regelrechte vergissingen kunnen elk verhaal om zeep helpen.

Nee, het lijkt me beter om Hoofdstuk 2 als apart onderdeel te elimineren. Men moet zich nogmaals beseffen, dat dit onderdeel achteraf is ingevoegd – blijkbaar ontbrak deze vitale informatie in de overige hoofdstukken. Toch is dit geen onoverkomelijk probleem: de nuttige stukken kunnen gemakkelijk in de rest van het verhaal verwerkt worden, en dat op een veel minder kunstmatige manier.

Ondertussen is de analyse van Hoofdstuk 2 langer dan het geschrift zélf, wat aangeeft dat ik er mee in mijn maag zit. Vrees echter niet, want het was in Hoofdstuk 3 (eerst: Hoofdstuk 2, om u nog maar eens te verwarren) dat ik de smaak te pakken kreeg – in de goede zin des woords, welteverstaan.

Wordt vervolgd.

Laat ons verdergaan met het verder analyseren van de geflopte roman. Mocht u daarover het fijne willen weten, dan verwijs ik u graag naar de vorige post (deel 1) uit deze (nog op te bouwen) serie. Al behandelde snuisterijen als het overmatig gebruik van alinea’s, de moeilijkheden met interpunctie en het nogal decadente, beschrijvende taalgebruik – lever er gerust commentaar op; om de omslachtigheid van deze post wat te beperken, zal ik deze zaken zélf echter niet meer aanhalen.

Hoofdstuk 2 is het meest gekunstelde halffabricaat van het geheel – het is immers geheel en al achteraf geschreven, als een laagje jam tussen twee laagjes taart. De houdbaarheidsdatum van deze confituur is echter van dubieuze aard. Tot mijn grote schaamte en verrassing, moet ik bekennen dat ik Hoofdstuk 2 allang vergeten was; alsof het net zo goed weggelaten had kunnen worden. Wellicht heb ik het bewust verdrongen, als een onderdeel dat later nog wel ergens aan- en ingepast zou worden. Om één en ander beter te kunnen begrijpen, zal ik mijn gedachtegang van destijds (het feitelijke schrijven) proberen te reconstrueren.

De overgang van Hoofdstuk 1 (Terug, hier) naar Hoofdstuk 2 (Koffie, koffer – nu Hoofdstuk 3) is te bruusk. Er zijn weinig verbanden die de lezer met het verhaal vertrouwd maken; teveel “zoekwerk”, dus. Slechts de hoofdpersoon maakt zijn rentree, maar wel in een vreemde setting die niks met de omgeving uit Hoofdstuk 1 te maken heeft. Er worden andere personages geïntroduceerd, maar ze blijven nog wat vlakjes. Bovendien begint Hoofdstuk 2 met het geklik van een deurslot; misschien is het beter om uit te leggen, waar die klik vandaan komt.

Wel, als ik bovenstaand gedoe nog eens in overweging neem, dan snap ik er eigenlijk nog veel minder van: Hoofdstuk 2 lijkt kunstmatiger dan ooit, zelfs. Ik zal u niet langer in spanning houden, en het gewraakte vodje hieronder volledig vermelden. Mijn eigen commentaar volgt na het citaat – om nu inde tekst zelf te gaan rommelen, nee. Dat zou er waarschijnlijk te slordig uitzien en een eventuele “flow” doorbreken.

Terug, daar

Zeven jaar geleden verliet Kim het huis voorgoed, wellicht gedreven door carrièremakelarij of een sterke kinderwens. Slechts enkele maanden hadden zij en Martin het met elkaar weten te rooien. Net als het pleisterwerk van hun twee-onder-een-kapwoning vertoonde de relatie tussen deze twee mensen al scheuren voordat de fundamenten van een gelukkig huwelijk ooit gelegd werden.

Martin Schreuder, een getalenteerd student petrochemie, viel na een “sabbatical year” terug in “un année sans” om daarna bij een particulier taxibedrijf zijn leven terug in te kleuren. “Zolang mijn leven niet vooruit wil kan ik beter anderen verder op weg helpen. Wellicht kruist het ultieme geluk mijn zebrapad nog eens,” dat was feitelijk de filosofie waaruit hij zijn brandstof putte – en niet geheel zonder resultaat. Op een dag vleide Kim neer op de achterbank van Martins Chrysler; enkele uren later vervoegde de chauffeur zich bij zijn klant en de rest laat zich raden. Op korte termijn, dan toch.

Hij was egoïstisch geweest door haar langer dan een half jaar aan het lijntje te houden – maar wat wil je, wanneer je aanstaande schoonvader opeens “de facto” je baas blijkt te zijn geworden?

Zoals Martin via een vaste taxiklant geleidelijk was ingestroomd in zijn nieuwe functie bij een gereputeerd maar noodlijdend petrochemisch laboratorium, zo verscheen Kims pa van de een op de andere dag ten tonele om de hele tent uit het slop te trekken. Er werd druk gerenoveerd, hergestructureerd en bezuinigd op allerlei zaken – niet in de laatste plaats op mankracht. De vrijzinnige relatie die zijn dochter onderhield met Martin werd zodoende een troefkaart, welke laatstgenoemde gedurende die moeilijke maanden steeds vaker achter op tafel gooide, wanneer hij werd aangesproken op zijn gebrek aan ervaring of slordigheden in de door hem geproduceerde tussenrapportages. Het contact met zijn oude collega’s verslechterde, terwijl nieuwe werknemers schijnbaar al bij de ingang hadden vernomen dat je Martin het beste met “Judas” kon aanspreken.

Het geweten knaagde aan Martins ziel, net zolang totdat er simpelweg geen knaagbaar materiaal meer over was; zijn geest wist niet meer waar hij het zoeken moest. Zijn vriendin vond steeds minder liefde bij, voor en in Martin. Haar vader, zelf gescheiden na 25 jaar van ontrouw en altijd verblijvend in luxe hotels, kwam steeds vaker onder vuur te liggen door de liefde voor zijn enige dochter en de consequenties daarvan – de ondernemingsraad van het lab rook onraad en stelde de crisismanager uiteindelijk permanent op non-actief. Zo kon het gebeuren dat vaderlief, een taxirit van dertig gulden en een interne huilbui van vijf seconden later, beschaamd bij Martin en Kim aanbelde voor kost en inwoning.

Dat was zeven jaar geleden; zes jaar en 364 dagen terug vertrok Kim geruisloos uit het leven van twee mannen waarvoor ze had geleefd en geleden. Dat klinkt gek en rigoureus, maar feitelijk was het een acceptabele onderneming. Haar vader zou teveel van haar verwachten, als ware Kim een surrogaat voor de verloren huiselijkheid van zijn voormalige echtgenote. Zelf stelde ze al een tijdje te hoge eisen aan het omhulsel dat ooit aan haar vriend toebehoorde. Door te verdwijnen bespaarde ze haar pa de dagelijkse, vleselijke confrontatie met zijn nieuwgeboren nutteloosheid; tevens zou Martin verlost zijn van het blok aan zijn been en in ieder geval zijn baan veilig kunnen stellen. De tranen welden op in haar diepgroene kijkers, maar ze wist ze te onderdrukken terwijl ze zachtjes de voordeur dichttrok en enigszins beduusd de straat opliep.

Alinea 1 begint gelijk met de introductie van een nieuw karakter, Kim. Zij is (of was, blijkbaar) Martins vriendin. We komen te weten dat ze weggaat, hoe ze Martin ontmoet heeft en dat ze een vader heeft. Die vader is ook een nieuw personage, en blijkbaar een belangrijke figuur, aangezien hij (via zijn werk) direct met Martin verbonden is. Wel lezen iets over carrières en hun morele implicaties. Dat was het wel zo’n beetje.

De lengte (korte?) van dit Hoofdstuk geeft op zichzelf al aan, dat het hier een soort koppelstukje betreft. Hoofdstuk 1 was ook erg kort – maar inleidingen mogen vreemd en kort (of juist heel lang) zijn, naar mijn bescheiden mening. Wanneer je klaar bent om het verhaal “echt” te laten beginnen, dan is een koppelstuk natuurlijk wel een zeer ellendige constructie. De lezer krijgt opeens een hele sloot aan informatie te verwerken. Bovendien verschuift het taalgebruik van gestileerd naar feitelijk (om uiteindelijk toch weer over te gaan in stijlfiguren), gaat het tempo van enorm traag opeens over naar de hoogste versnelling en verdrievoudigt het aantal hoofdpersonen.

En het klinkt ook allemaal zo afstandelijk, als een voorbereide speech over jaarcijfers waar af en toe een persoonlijk detail in verwerkt mocht worden. Over jaarcijfers gesproken: in welk jaar bevinden we ons nu eigenlijk? Blijkbaar bevindt Martin zich in Hoofdstuk 1 in het jaar “Hoofdstuk twee + 7”. Die omschrijving zal op de lezer van deze post net zo vreemd overkomen, als op de lezer van mijn geflopte roman, die het bovendien ook nog zelf moet zien uit te vogelen.

Waar ik op een dergelijke intuïtie van de lezer vertrouw qua jaartallen, kan ik het blijkbaar niet opbrengen om hetzelfde te doen op het gebied van karakterontwikkeling. Die wordt in een aantal compacte zinnen uit de doeken gedaan, met als resultaat een verminderde spanningsboog. Goh, wat zou er in het volgende hoofdstuk gebeuren – ze werden allemaal ontslagen en gingen hun eigen weg? Spannend. Dit soort zaken dient men als schrijver, zeker aan het begin van een verhaal, aan de lezer toe te vertrouwen. Lezen (van fictie of tot-dan-toe onbeschreven non-fictie) draait vooral om inlevingsvermogen – wat maakt het uit als een lezer zich bepaalde zaken anders voorstelt dan uiteindelijk het geval blijkt te zijn? Die onzekerheid bindt hem of haar juist aan ons, schrijvers. En juist dat feit onderscheidt “het boek” zo prachtig mooi van bijvoorbeeld “de film”. Als je “het boek” hebt gelezen en je ziet “de film”, dan zien de karakters er opeens heel anders uit, ze praten ook vreemd en de omgeving ziet er maar raar uit. Een film op zich kan prima rondkomen van een goede plot; maar toch zijn bepaalde zaken anders omdat ze letterlijk worden “uitgebeeld”. In een boek mag en kan alles anders – laten we dus geen afbreuk aan die situatie doen, door onze papieren personages gelijk in het keurslijf in te binden.

Datzelfde geldt ook voor de “deur-klik”, die aan het begin van Hoofdstuk 3 aan bof zal komen. Waarom moet zoiets direct uitgelegd worden? Het is een belediging aan het adres van de lezer – eens temeer, omdat diezelfde “klik” aan het eind van Hoofdstuk 3 nog eens uitgelegd wordt!

Bovendien praat ik mijzelf al vast in een hoek; ik moet me immers aan de geboden feiten blijven houden, en dat al vanaf Hoofdstuk 2. Zoals ik al zei, kon ik me oorspronkelijk niets van Hoofdstuk 2 herinneren; fouten sluipen er dan heel gemakkelijk in, en plot-gaten of regelrechte vergissingen kunnen elk verhaal om zeep helpen.

Nee, het lijkt me beter om Hoofdstuk 2 als apart onderdeel te elimineren. Men moet zich nogmaals beseffen, dat dit onderdeel achteraf is ingevoegd – blijkbaar ontbrak deze vitale informatie in de overige hoofdstukken. Toch is dit geen onoverkomelijk probleem: de nuttige stukken kunnen gemakkelijk in de rest van het verhaal verwerkt worden, en dat op een veel minder kunstmatige manier. Ondertussen is de analyse van Hoofdstuk 2 langer dan het geschrift zélf, wat aangeeft dat ik er mee in mijn maag zit. Vrees echter niet, want het was in Hoofdstuk 3 (eerst: Hoofdstuk 2, om u nog maar eens te verwarren) dat ik de smaak te pakken kreeg – in de goede zin des woords, welteverstaan.

Wordt vervolgd.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.