Schrijvers, Fluisteraars & Vertalers

Recentelijk las ik Orlando Figes’ “Natasja’s Dans” (2002), een zeer uitgebreid werk van de auteur die later “Fluisteraars” op zou leveren. Net als de overige werken van Figes, hebben de genoemde boeken vooral betrekking op alles dat met Rusland te maken heeft. Waar “Fluisteraars” een prachtig beeld van de beklemmende Sovjet-maatschappij onder Stalin schetst, daar schildert Figes in “Natasja’s Dans” een voorstelling van de Russische cultuur door de eeuwen heen, van Poesjkin tot Achmatova via Repin, en alles ertussenin.

Beide boeken zijn enorme pillen – ongeveer 750 pagina’s per stuk, noten en bronvermelding nog buiten beschouwing gelaten. Al sinds het leesvirus mij in zijn greep kreeg, nu dik een jaar geleden, heb ik dikke boekwerken nimmer geschuwd. Eén van de eerste boeken die ik van voor naar achter uitlas was “Opkomst” (ook al zo’n 750 pagina’s), het eerste deel van Evans’ “Derde Rijk”-trilogie. Dit soort materie is meestal behoorlijk feitelijk opgesteld qua taalgebruik en visueel-gesproken nauwelijks opgedirkt door foto’s; het gaat dan ook om de inhoud, en niet om de vorm.

Mijn interesse lag oorspronkelijk voornamelijk op het gebied van de Tweede Wereldoorlog – een vreselijk cliché, ik weet het. Natuurlijk kende ik de hoofdlijnen wel, was ik bekend met de belangrijkste slagen, de victories, de tragedie en de ondergang; de stortvloed van documentaires, films en Internetsites is daar credit aan. Toch is er een verschil tussen vluchtig een website doorbladeren of tijdens het kijken naar “Der Üntergang” in een zak chips rammelen enerzijds, en het bewust door- en opnemen van de chronologie van al die gebeurtenissen met behulp van een definitief naslagwerk… zoals dat van Evans, bijvoorbeeld. Overigens moet ik de Delen 2 en 3 nog lezen; destijds had de bibliotheek deze niet tot haar beschikking. Tot mijn vreugde heeft men de ontbrekende delen enkele weken terug in de schappen gezet. Vreugde over 1500 stoffige pagina’s vol tekst, prachtig toch?

Het bijspijkeren van de basiskennis duurde een aantal weken, hoewel ik het nooit als een taakstraf opvatte; eerder als een opstapje naar nieuwe onderwerpen, gerelateerd aan WW2 maar met een meer verdiepend karakter. Er zijn bijvoorbeeld weinig boeken die zich echt op de nasleep van de oorlog hebben gericht – Stafford’s “Eindspel 1945” (600+ pagina’s) is wat dat betreft een aanrader en nogal enig in z’n soort. Richard Overy’s “Dictators” (750+ pagina’s) trekt de tijdlijn zowel vóór als na de Tweede Wereldoorlog door in zijn vergelijking van Hitler en Stalin (voornamelijk op het gebied van gevoerde politiek). En via Stalin kwam ik uiteindelijk als vanzelf bij Figes uit, bij “Fluisteraars” dus. Natuurlijk sla ik hier bewust een hele rits aan interessante onderwerpen en bijbehorende auteurs over – die bewaren we wel voor “later”. In de rest van dit stukje wil ik namelijk ingaan op de rol van de “ongeziene” auteur van al die vakbijbels: de vertaler.

De boeken die ik de afgelopen maanden heb gelezen, zijn grotendeels opgesteld door buitenlandse auteurs. Dan heb ik het niet over Vlamingen (hoewel dat in mijn perceptie als Nederbelg geeneens buitenlanders meer zijn), Surinamers of de laatste generatie oud-Indiërs – neen, het handelt zich hier om Engelsen, Amerikanen, Duitsers, Polen en Russen. Nu spreekt iedere Nederlander tegenwoordig een aardig woordje Engels, en kunnen de meesten onder ons hele lappen tekst prima vertalen… binnensmonds, that is.

Probeer het maar eens, zo’n op het oog luchtig Engels tekstje uit een krantenkolom volledig op papier te zetten. Je moet de “lading” zien vast te houden terwijl de boodschap, het feitelijke bericht, niet van betekenis mag veranderen. Moeilijker wordt het al bij een opiniestukje, zeg een bladzijde lang en zes rijen dik. Je zult zaken als ironie, “inside jokes” en onvertaalbare gezegdes tegenkomen. Probeer het vervolgens maar eens met een dichtbundeltje van tegen de honderd pagina’s. Hoe korter de verzen, des te lastiger de taak – behoud het metrum, vind de juiste & aansprekende woorden maar overstijg het origineel niet.

Genoeg van al dat cryptische gebrabbel over doodgeboren duiven? Misschien ben je dan klaar voor het echte werk, de “Fluisteraars” en de “Dictators” die gewillig op een ontcijferaar liggen te wachten; pillen ook, die je ziek van frustratie kunnen maken.

Het slecht vertalen van een goed boek riekt immers naar geschiedvervalsing; elke creativiteit die je jezelf denkt te kunnen veroorloven, kan een onbegrepen voetnoot in de geschiedenis van het Nederlandse lezersvolk worden. Kennis van zaken is ook al vereist: je moet weten wat je gaat vertalen, en daarvoor dien je (veelal) te vertrouwen op de werken van anderen; werken die waarschijnlijk ook weer vertaald zijn ,of anders op zichzelf weer ontrafeld en herbreid dienen te worden. Het werk van een vertaler zit vol hellende vlakken.

Het is ook daarom, dat ik expliciet het aantal pagina’s van die paar voornoemde boekwerken heb vermeld. Niet om over op te scheppen – dat dient geen nut, ook mijn ego niet. Voor hetzelfde geld beslaat een enkele letter een volle pagina – dan zou een werk van 800 pagina’s een aardig blog-postje vormen, niets meer. Nee, ik vermeld die aantallen omdat het vereiste concentratievermogen van de vertaler in sterfelijke termen uitdrukt. Zelfs al zou een enkele letter een hele bladzijde in beslag nemen, dan nog – dan júist – dient de vertaler de exact-juiste keuze te maken; de Engelse “a” door de Nederlandse “n” vervangen of de aangeboden letter juist letterlijk overnemen.

Bovenstaand geneuzel op de vierkant centimeter doet het werk van de vertaler geen recht. Natuurlijk zijn de wetenschappelijke boekwerken van Figes en Evans gevuld met ellenlange volzinnen – een enkel woord ombuigen of laten barsten, daar zal de lezer niet zo zwaar aan tillen. Waar het om gaat, is de atmosfeer van het boek in leven te houden gedurende die hele vertaalslag, het niet zien als een herschrijving maar een herbeleving van het aangebodene. Een goede vertaler denkt vooruit, speelt met zijn eigen gedachten en vlakt ze vervolgens uit, om uiteindelijk met één puntkomma of opsmukletter genoegen te nemen.

Een jaar geleden had ik nooit gedacht, dat ik ooit een boek als “Natasja’s Dans” uit zou lezen zonder om genade te schreeuwen. “750 Pagina’s over iconenschilders en balletdansers? Ja, klinkt boeiend. Misschien kom ik er over een jaar of 40 nog eens aan toe.” Een interesse, geboren uit voorgaand vertaalwerk, maakte van mij opeens een cultuur-voyeur, en dus geïnteresseerd in soortgelijke boeken – hoewel nog steeds afwachtend en argwanend. Maar, voorwaar: de vertaler van dit uitputtende werk heeft ‘t voor elkaar gekregen; het is alsof Figes opeens met speelse Haagse tongval door het boek heen rolt. Sommige anekdotes klinken in het Nederlands misschien nog wel aardiger dan in het oorspronkelijke Engels. De beschrijvingen van diverse schranspartijen staan me in ieder geval nog steeds helder voor de geest.

Terwijl Figes ook maar een mens van vlees en kwaad bloed blijkt te zijn, ben ik de naam van de vertaler van “Natasja’s Dans”, van “Fluisteraars” alweer vergeten voordat ik deze überhaupt op had kunnen zoeken. Maar ik weet, dat de beste man of dame zich daar juist zeer prettig bij zal voelen. Hij of zij ligt immers alweer 750 pagina’s op me voor.

Ik kom eraan, onbekend genie.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.