Paarden. Ja, gewoon “Paarden”.

Paarden leven in een soort van sub-realiteit; minder dan een mens, meer dan al de rest. Je dient ze met “dier” aan te spreken, ze hebben “benen” en dergelijke – ik vertel hier niets nieuws. Over het algemeen wordt er ook respectvol met paarden omgesprongen, en in ruil daarvoor maken paarden respectvolle sprongen. Sommige paarden dan toch – andere staan vooral in de wei. Vaak worden ze in logge karretjes van de ene wei (of manage) naar de andere manege (of wei) verplaatst. Dan staan ze bij die manege (in een wei) gras te eten, en dat gras tot mest te verwerken. Qua mest-prestige overstijgen ze de mens zelfs, aangezien we hun achterlaatsels met vruchten samen laten vallen: de paardenvijg is bovendien hinderlijk noch aantrekkelijk. Ze leeft ook in een subrealiteit. Maar genoeg van dit soort basale praat.

Overal om me heen zie ik paarden. Hier aan het eind van de straat – daar waar vroeger de straat ophield, terwijl ze er nu lijkt te beginnen – staat een manege. Onlangs viel het me pas op, hoeveel paardenhoofden er uit de luiken van dat gebouw steken. En daar staan ze dan, en ze kijken eens vriendelijk. Ik kijk terug.

Hoi, paard. Ik snap je niet echt.

Minimaal één keer per dag loop ik langs de manege. Dan staan er aan weerszijden diverse paarden, meestal een beetje gras te grazen volgens een afgebakend patroon. Ze doen dus in ieder geval dienst als grasmaaier, dat is alleraardigst. De verdeling van het gehele paardenpark is uiterst ongelijk: aan de ene kant (altijd dezelfde, links van mij als ik op heenweg ben) staat een wat oudere hengst, terwijl er aan de overzijde diverse merries druk bezig zijn met eten, galopperen of een derde iets. De hengst lijkt soms wat jaloers of hitsig, knort dan een beetje en loopt wat onnozel (maar in vlot tempo) op-en-neer. Meestal houd ik een praatje met hem, wat natuurlijk nog veel onnozeler is. Ik vraag hem “Hoe gaat ‘t” en zeg “Het is ook allemaal niet niks.” De hengst schijnt het prettig te vinden en loopt meestal mee tot aan de punt van zijn privéweitje. Dan beseffen we beiden, en misschien mijn twee honden ook, dat het hier ophoudt qua conversatie. Het dier blijft in zijn zanderige hoekje vol vijgen staan en wiegt de vliegen van z’n hoofd. ‘s Winters zijn er geen vliegen, dan is er de kou.

Wat dat betreft heeft de hengst het nog niet heel erg slecht. Deze zomer is het heel goed uit te houden voor mens, paard en dier, wat maar goed is ook – er is geen schaduw in zijn weide. Het gras is voor hem écht groener aan de overkant. Hengst en wandelaar snappen weinig van deze situatie, maar de manege zal het wel beter weten. De hengst schijnt zich er ook niet al te druk om te maken; hij berust in zijn leven van regelmatigheden. Kon hij maar over het maïsveld heen turen, dan zou mijn zwijgzame gesprekspartner zien dat het altijd slechter kan.

Bij een gammel stalletje, hier en daar kapot-getrapt, staan moeder Paard en de nieuwe aanwinst – tegen beter weten in – de jungle weg te vreten. Twee blauwe tonnen, halfgevuld met water dat snel verworden is tot slootwater, worden op onregelmatige tijden bijgevuld. ‘s Winters krijgen ze hooi – God weet wanneer, en waarom alleen God het weet weet God zelfs niet. Moeder is blind aan één kant maar lijkt elke lente dubbel zwanger. Soms zie ik een vrouw sjouwen met haver en emmers, een aanhangwagentje vol met water. Haar man doet hetzelfde; ze haten hun paarden niet en de paarden ontvangen hun bazen met enthousiast gehinnik. Toch is het anders. De perceeltjes, her en der verspreid, zijn moeilijker in de gaten te houden vanaf het mensenhuis aan de rand van de autoweg. Het huis is geen manege, al staan er ook paarden bij in de buurt; soms staan ze er zelfs in, in dat huis, in een soort schuurachtig iets.

De winters zijn hard voor de paarden van het mensenhuis. Het water bevriest, het gras sterft af en sneeuwt onder; de wind giert door de versleten stallen. Ik vergeet telkens die verdorde bos wortels mee te nemen. De grote paardenmonden vermalen die dingen binnen een seconde – maakt het een verschil? Moreel-technisch gezien misschien, hoewel ik het mezelf enkel moeilijker maak door mezelf lastig te vallen met dit soort vragen. Dan gaat het knagen en probeer ik te denken als een paard dat zin heeft in wortels.

Afgelopen winter – nee, twee winters terug – bracht ik een kruiwagen vol water naar de afgezonderde paarden van een ander perceeltje. Midden in de nacht. Had geen idee wat ik deed; het voelde eerder als een misdaad dan als een onderneming van erbarmen. Paarden schijnen veel vocht nodig te hebben, en dat halen ze onder andere uit gras, wat er ‘s winters dus niet echt is. Als het water in de tonnen dan bevroren is, hoe werkt dat dan? Ik bracht ze water, maar ze leefden niet méér dan de dag ervoor. Misschien hadden ze de volgende morgen zelfs buikpijn van mijn stom kraanwater; geen idee hoe dat allemaal werkt. Internet is heus niet zaligmakend op dit gebied. Volgens mij vonden de paarden mij ook maar een onnozele hals, op dat moment.

Gek is dat, hoe Adam Zamoyski’s boek “1812” mij voor het eerst liet nadenken over de relatie tussen mens en paard. Terwijl ik daar stond te stuntelen met emmertjes water, bij temperaturen van -10 of lager, dartelden de latere hoofdstukken uit dat boek langs me heen als mijn vriend, de hengst van de linkerweide.

De paarden bezweken het eerst, in de winter van 1812 en 1813. En de scheidslijnen, hun positie van “meer dan al de rest” werd razendsnel overschaduwd door die van “minder dan mens”. Mensen kregen honger en aten hun vrienden op: eerst de paarden, daarna – zo willen de verhalen – ook hun werkelijke naasten. Aan het kannibalisme wordt soms nog getwijfeld – over de dood van duizenden paarden doet niemand moeilijk. We hebben het hier over gesofisticeerde mensen, Fransen – soldaten die verknocht waren aan hun paarden, of marketentsters die waren-aan-hun-paarden verkochten. Europeanen gruwelden aan de gedachte van het eten van paardenvlees. Totdat ze dachten, dat ze Europa nooit meer te zien zouden krijgen; toen werden ze Russisch als Koetoezov.

De grenzen vervaagden nadat Napoleon de grenzen verlegde. Al bij zijn intocht in het grote, onbekende Rusland, tijdens de overtocht van de rivier de Njemen en de doorwading van de bijbehorende moerasstreken, was het ‘t paard dat voor die onderneming moest boeten. Verschrikkelijke slagregens en onweer verlamden en vermoordden de paarden, en daarmee ook de mannen die er zo afhankelijk van waren. Paarden waren niet enkel gevechtswapens, het waren vervoersmiddelen en communicatielijnen; in vele opzichten superieur aan de mens, enkel ondergeschikt door hun onderwerping aan de mensheid. Na de slagregens volgde de kurkdroogte, en mens na mens overleed – maar het paard kende zijn positie, en stierf als eerst. Zamoyski haalt een passage aan, waarin uitgelegd wordt hoe het spijsverteringsstelsel van de paarden (door slechte voeding) volkomen ontregeld raakte. Men moest letterlijk met de volle lengte van de arm de kolieken uit het beest trekken – alsof het een bizar soort kermisattractie betrof. Dit zijn dingen die je onthoudt als lezer, als soldaat en als paard.

Brandend Moskou. Geen voedsel voor mensen, laat staan voor paarden. Terugtocht. Sneeuw, extreme koude. Aanvallen van kozakken zittend op kleine paardjes, blijkbaar gebouwd op dit soort omstandigheden. De overtocht van ijskoude rivieren, opeenhopingen van paniekerige mensen, opgedrongen door de schijnbaar willekeurige bombardementen van even verderop. De Russen blijven als een soort onzichtbare bloedhond aan de hoeven van het Franse leger knagen. En de honger – de eeuwigdurende honger die paard tot mens verheft, omdat het liever in elkaar zakt dan zich te laven aan het zieke vlees van de adelstand. De honger die de mens tot beesten maakt. De terugtocht van de “beschaafden” die barbarij als een loden last met zich meeslepen; het geplunderde goed uit Moskou – Smolensk misschien zelfs? – dat nog steeds door paarden wordt gedragen.

Dat zijn de flarden die door mijn hoofd schieten, terwijl ik een emmer water omstoot en het spul in een massa dichtgevroren hoefafdrukken zie glijden. Het is niet de hele geschiedenis; mijn hersens zijn geen Wikipedia. In de draagbare koude van een Belgische sterrennacht vergeet en verzin ik details, geluiden. Twee paardenhoofden briesen langzaam naderbij. De realiteit blijft hier hetzelfde.

Hoi mens. Ik snap je niet echt.

En we kijken elkaar eens vriendelijk aan, gaan onze eigen weg en overleven de winter.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.