Hetgeen er gebeurd is

monsterDe tijd van herdenken is voorbij. Aangebroken is de tijd van ongemakkelijk uitstel: van het iets te willen zeggen, schrijven of aanpakken; maar ook van het er te verlegen, lui of geïntimideerd voor & door te zijn – van excuses variërend in legitimiteit gekenmerkt door één gemeenschappelijke deler: schuldbesef.

‘Uitstel’ roept bij elk fatsoenlijk mens iets van schaamte op, immers; en zolang die gêne voortduurt wenden we onze eigen blik liever van die van een ander af, hopend dat er snel weer iets gebeuren gaat waarop wij achteraf gezien zélf geen invloed hebben kunnen uitoefenen. Vorig jaar gebeurde er zoiets; en recentelijk hebben we dat dus herdacht.

Laten we het beestje maar weer eens bij de naam noemen: MH17, de vlucht die op 17 juli 2014 boven betwist Oekraïens grondgebied explodeerde, inmiddels inderdaad alweer meer dan een jaar geleden. Sommige mensen zullen zich misschien nog wel mijn stukje over die bepaalde vliegramp herinneren. Via die weg komen we weer aan bij mijn eigen (onbetekenende) uitstel van weleer; een adempauze die werd ingegeven door een nieuw soort van moedeloosheid mijnerzijds. Simpelweg gesteld ontbrak het mij aan inzicht op een situatie die er op dat moment enorm veel toedeed, voelde ik mij niet bevoegd om oordelen te vellen over op dat moment volstrekt onduidelijke zaken.

(Dat is overigens tevens de reden waarom ik niet zo’n fan ben van geschiedschrijving over recentelijke afgeronde of zelfs nog voortdurende conflicten: ze zijn onderhevig aan de opinie van min of meer direct betrokkenen en van een totaalbeeld kan ook nog niet echt sprake zijn.)

Nu goed: ik schreef een jaar geleden dus dat nogal warrige maar toch zeer oprechte betoog; en ‘dat was dan dat’, zou je zeggen: uitstel naar eer en vermogen weggepoetst, onbeschaamd op weg naar een volgende beproeving. Het leek allemaal bijzonder weinig gedenkwaardig te gaan worden; niet naar ‘mijn’, ietwat onorthodoxe standaarden, in ieder geval. Toch, voor de goede orde, is er niemand die méér verbaasd heeft gestaan van de wending die mijn leven vervolgens heeft ondergaan. Nog vaak denk ik terug aan die gloeiendhete Belgische zomerdagen van 2014; sluit dan kortstondig de ogen; en open ze weer in de vrieskoude Russische winter van vroeg-2015. Het éne moment zit mijn leven op slot in Leuven en het volgende staat het op losse schroeven in Moskou.

Daar tussenin (en ook achteraan) keer ik mij in mezelf, schaam ik mij in de duisternis van een regenachtig Limburgs limbo voor mijn eigen oogopslag. In dergelijke tussentijden kom ik ettelijke momenten in de verleiding om ‘iets anders’ te gaan doen. Een liedje te luisteren of een oud stukje na te lezen, bijvoorbeeld – maar dan niet ‘dat ene’, relevante stukje, nee: gewoon, ‘iets’, ‘iets’ dat het uitstel richting ‘afstel’ zou kunnen bewegen, onderwijl passief wachtende op een gebeurtenis waarop ik geen invloed heb kunnen uitoefenen.

Die gebeurtenis komt overigens altijd, hoewel haar openbaring soms een eeuwigheid op zich lijkt te laten wachten.

(Zelfs het meest theoretische voorbeeld in dezen – een apathisch wachten ‘tot men een ons weegt’ en dientengevolge van de honger sterven zal – brengt ons immers één spektakelstuk verder: de onoverzichtelijkheid van de dood. Zelfs degenen die niet geloven in een leven na de dood, zullen toch moeten aanvaarden dat het boven- en het ondergrondse twee volstrekt van elkaar verschillende toestanden omvatten.)

apathieWekenlang zat ik daar maar op apathische wijze te wachten tot iemand ongevraagd van mijn ontheemde ‘ik’ een huiselijk ‘ons’ kon maken; zat ik binnenshoofds af te sterven, muurvast in éénzelfde toestand: die van een uit uitstel geboren beschaamdheid. En hoewel de reden hiertoe – te weten: ‘naïviteit’ –, meer legitiem was dan zoiets als ‘luiheid’ of ‘onzekerheid’, bracht júíst dat kinderlijke aspect eenzelfde soort moedeloosheid teweeg als degene welke zich direct ná MH17 van mij meester had weten te maken. Bij die Oekraïense vliegramp was ik nooit direct betrokken geweest; bij de oorsprong van mijn Limburgse apathie zeker wél; maar in beide gevallen leidde het tot niets meer dan een onuitdrukbaar gevoel van ‘het even niet weten waar het te zoeken’.

Logischerwijs – we hebben het pasgeleden empirisch vastgesteld – was er dan opeens die volgende gebeurtenis. Ze werd me in de schoot geworpen, min of meer. Wel: méér ‘minder’ dan ‘meer’, eigenlijk. Wie zijn vrienden goed behandelt mag zo soms die gunst terug verwachten; en zo bezorgde een bezorgde vriendin mij een hulpkreet vanuit een vijandelijk Oost-Europees achterland. Dat is nog geen jaar geleden, maar laten we het beestje toch maar weer eens bij de naam noemen.

In Domodedovo, een onooglijk voorstadje van Moskou dat vooral bekend is omdat er een luchthaven naar vernoemd is, benodigde men iemand om Russen (jong & oud) de Engelse taal vaardig te doen maken. Dat believen uitte zich op het dieptepunt van mijn toenmalige apathie, zo ergens in de maand augustus van vorig jaar. Een volstrekt logisch gegeven, natuurlijk – schooljaren beginnen in de regel nu eenmaal omtrent september –, maar desondanks toch een redelijk magische ervaring. Wederom teruggrijpend op een ouder verhaaltje van mijn hand heb ik één en ander weleens omschreven als ‘de puzzelstukjes die op hun plaats begonnen te vallen’.

Dat het hier niet slechts om een vage metafoor heeft gehandeld, moge blijken uit het feit dat ik die verschillende stukjes nog steeds vrij makkelijk kan benoemen.

Vooraleerst betreft het dan mijn alleraardigste beheersing van het Engels. Dat stuk heb ik overgehouden aan de ervaringen zoals opgedaan bij het in goede banen leiden van mijn éénmanszaak. Vanzelf is dat allemaal zeker niet gegaan, want als ik nu eens terugkijk naar door mij geschreven Engelse teksten uit de periode van vóór dat bedrijfje dan staat het schaamrood mij vaak hevig op de wangen. Het was een beetje het niveau dat de gemiddelde Nederlandse zakenman er tegenover zijn internationale evenknieën op pleegt na te houden: iedereen snapt wel wat er bedoeld wordt; dit echter zonder dat er enige twijfel zal bestaan over de niet-Engelstalige achtergrond van de toespreker of opschrijver.

Wij Hollanders gebruiken in het Engels soms de meest complexe woorden en zinsconstructies, tot bewondering van velen om ons heen. We doen dat alles dan weer nét zo makkelijk teniet door consequent enkele lullige grammaticale of spelfouten en foutief gebruikte woorden in zelfs de kleinste aller bijzinnen te verwerken. Na enkele jaren van vrijwel exclusief in het Engels met anderen te hebben gecommuniceerd is dat er bij mij godzijdank behoorlijk goed uitgesleten. Bijkomend voordeel is dat ik ongeoefende lieden herkenbare fouten zie maken en hun daar vriendelijk edoch resoluut op kan wijzen. Bijkomend nadeel is dat veel mensen – en met name dan toch weer de Hollanders onder ons – daar meestal niet echt van gediend zijn en vrolijk verder aanmodderen in een vorm van Engels die inderdaad in 90% van alle gevallen gewoonweg ‘toereikend’ genoemd kan worden. ‘Two be or not too bee’, c’est la vie.

infrontofclass

Nu, terug naar de invulling van de puzzel en daarmee ook naar de benoeming van het tweede puzzelstuk: mijn studie slavistiek & Oost-Europakunde. Nogal een onorthodox onderdeel is dat. Engels doceren kan men immers overal ter wereld, maar ‘Rusland’ zal voor menigeen toch niet als droombestemming gelden. Daar zijn goede redenen voor te bedenken: het in de regel gesloten, conservatieve karakter van de Russische maatschappij, bijvoorbeeld. Voorts geldt er voor een Hollander als ikzelf een drievoudige taalbarrière: men spreekt daar feitelijk geen Engels; je bent zelf ook niet met die gave geboren; het Russisch is daarenboven een lastige taal om machtig te worden. En dan zijn er nog simpele zaken als ‘het trieste weer’ of het slechte imago dat Russische badgasten in Egypte en Turkije als olievlekken in een driesterrenhotelzwembad met factor 45 uit weten te smeren over alle andere daar aanwezige ongelukkige zonaanbidders.

Wie geen slavistiek heeft gestudeerd (of zoiets dergelijks, als er zoiets als ‘zoiets dergelijks’ bestaat), zal behoefte voelen noch inspanning willen leveren om dat immens grote, toch enigszins vijandelijk aandoende land achter het (weliswaar weggeroeste) IJzeren Gordijn als een tweede ‘thuis’ te gaan beschouwen. De studierichting ‘Slavistiek’ vormt daarop de uitzondering. Het is een besloten clubje dat een soort vreemde zucht naar zielenpijn lijkt aan te hangen. Het zijn degenen die, al bij al genomen, een verbanning naar Siberië eerder als ‘lotsbestemming’ dan als ‘strafmaat’ plegen op te vatten.

Goed. We puzzelen verder. Dat brengt mij bij het volgende: er zijn meerdere manieren om een puzzel op te lossen. De meest efficiënte (en mijns inziens toch ook de minst leuke) manier is die van de programmatuur. Je kunt via die methode een computer naar patronen laten zoeken. Ten eerste naar stukjes met rechte zijden, bijvoorbeeld, zodat je weet dat die bepaalde onderdelen aan de buitenrand van de puzzel horen te liggen. Vervolgens kun je die ‘buitenste’ stukjes nog wat verder analyseren: er zullen er maar vier zijn met twéé rechte zijden, en die horen dan weer in de hoekpunten van het opgebroken geheel thuis. Daar houdt het allemaal natuurlijk niet op, want tijdens de derde fase van deze meertrapsraketlancering zoeken we in de resterende kluwen naar uitstulpinkjes die mogelijk in de inkepingen van de zogenaamde ‘randstukjes’ passen en…

En ‘laat het hier toch maar wél ophouden‘, hoor ik zowel lezer als schrijver nu denken. Terecht ook. Het derde puzzelstuk in mijn ‘in elkaar gevallen’ plaatje heb ik met het bovenstaande heus al voldoende goed omschreven; rest mij het nog te benoemen. ‘Informatica’ heet het.

Toegegeven, het is niet de belangrijkste moot van allemaal; maar ter bekwaming in webdesign en logisch redeneringsvermogen is één en ander toch wel van pas gekomen. Dus toen de tijd gekomen was om aan te tonen waarom ik eigenlijk een geschikte kandidaat zou zijn voor die onorthodoxe functie in dat ultra-orthodoxe Rusland, kon ik terugvallen op een aantal keurige (en inhoudelijk hopeloos gedateerde) websites inclusief een portfolio dat al het bovenstaande logisch uiteenzette voor de éénkoppige keuringscommissie in kwestie.

Klein puzzeltje, eigenlijk. Drie stukjes ruim, slechts. Het grappige… nou ja, ‘grappig’ – laat ons zeggen, ‘het ironische’ daarbij is dat elk van die weinige puzzelstukken óók nog een donkere achterzijde heeft gekend. Mijn eenmanszaak flopte omdat ik geen enkel benul had (en heb) van alles wat ook maar enigszins met geld te maken heeft. De studie slavistiek glipte al redelijk snel uit mijn handen omwille van persoonlijke zwakheden. Veel eerder al had ik besloten dat het vervolledigen van mijn opleiding tot Software Engineer de creatieve geest in mij zou reduceren tot een onlogische constante welke uiteindelijk uit het werkgeheugen van mijn denkraam moest gaan verdwijnen wegens ‘inefficiëntie’. Men mag hieruit concluderen dat materiële zaken voor mij slechts middelen tot overleven zijn; en dat ik dat ‘overlevingsproces’ het liefste invul met zweverige zaken als schrijven, lezen en reizen.

vliegtuig

Dus ook mijn novemberse vliegreis naar de Moskouse Oblast (duur/raar woord voor ‘regio’) viel wel in het plaatje in te passen. Het was pas tijdens die reis dat de realisatie door begon te dringen dat mijn situatie in 2014 nog abnormaler was dan wanneer deze, zeg eens wat, zich drie jaar eerder aan mij zou hebben gepresenteerd. Of, inmiddels & beter: zoals ze dus in begin november 2011 zou zijn geweest. Het verband tussen Moskou en mij was er één dat drie jaar later dus nogal ‘gekunsteld’ op de neutrale toeschouwer over zal zijn gekomen, daar waar het in 2011 nog als ‘logisch verbond’ betiteld had kunnen worden; een ‘pact’, zo men wil. De politieke situatie was destijds nog vrij gemoedelijk, mijn studie verliep ook redelijk naar behoren, een uitwisselingsreis naar Rusland viel daarom allerminst uit te sluiten. Natuurlijk: het ging allemaal niet van een leien dakje – maar dat gaat het nooit tussen Rusland en welke andere entiteit dan ook.

Vanaf eind november 2011 begon het ‘pact’ steeds grotere haarscheuren te vertonen; en sinds de maartse annexatie van de Krim – 2014 – wilde Rusland eigenlijk ook niet zoveel met Robben zoals ik te maken meer hebben. Maar desondanks zat ik daar dus wel degelijk in een krappe economy seat ongemakkelijk te zijn, hopend dat Ukrainian Airlines vlucht PS575 niet nét zo’n wereldwijd begrip zou gaan worden zoals dat nog altijd voor ‘Malaysian Airline flight MH17’ geldt.

In november 2014 was de gecultiveerde liefde tussen Rusland en de Hollander reeds lang bekoeld geraakt. Tussendoor – hoewel al tegen het einde, achteraf gezien – werd die romance toch nog even aangewakkerd omdat júíst haar ijzigheid ons toen van pas kwam. In de eerste helft van 2014 mocht men nog éénmaal de geneugten van een zonovergoten, internationaal-getint Sotsji proeven, alwaar onze schaatsers even tevoren een recordoogst aan medailles binnen hadden weten te slepen.

Maar het is niet alles goud wat er blinkt. De keerzijde van de medaille was kaal en loodzwaar. Eventjes werd het oorverdovend stil. En in november was er dus slechts nog die éne Nederlander die zichzelf maar moest zien te gaan redden in een post-olympisch Russisch stadje met als voornaamste attracties een vliegveld en haar eigen volstrekt onuitspreekbare naam.

In de winterkou van tien kilometer hoogte besefte ik hoezeer ‘zij’ en ‘ik’ inderdaad van elkaar vervreemd waren geraakt; dat de atmosfeer daarbij welhaast verstikkend van aard was geworden. Ik bezag de Dnjepr terwijl die mijn halve vliegtuigraampje in beslag wist te nemen en realiseerde me voorts dat de grens tussen West & Oost zo goed als ‘tastbaar’ was geworden.

‘Nee’, was er het besef: ‘normaal’ viel dit alles niet te noemen. Rusland had een nieuwe generatie aan vijandschap gevonden; en één van die vijanden kwam nu doodleuk naar haar onderdanen toe om hen eens stevig de les te lezen. En toch: mijn stemming was er weliswaar één van droefenis, echter niet geboren uit ‘angst’ maar uit ‘lotsbestemming’ (waarmee ik mijzelf toch eventjes weer oprecht ‘slavist’ mocht noemen).

Angstig was ik dus niet en ‘vijandig’ werd ik niet ontvangen – nu ja, toen ik met mijn volgeladen reiskoffer over de tenen van een Kaukasische taxichauffeur reed kwam me dat natuurlijk wel op een vuile blik plus binnensmondse scheldkanonnade te staan; maar zo’n ervaring is niet aan Rusland voorbehouden. Verrassender was dat enkele – aan mij volstrekt onbekende – jolige lieden zich over mijn koffer ontfermden, me hartelijk omhelsden en schrijver dezes vriendelijk richting een overvol parkeerterrein manoeuvreerden alwaar er gratis vervoer richting Domodedovo-dorp geregeld was.

Tijdens de hieruit resulterende autorit in een aftandse Renault-nog-iets met slecht sluitende achterklep viel het me op dat Rusland zowaar beschikte over iets als een ‘infrastructuur’, met telefoonpalen en vierbaanswegen en met wat al niet meer. De huizen zagen er weliswaar anders uit dan in België of in Nederland, maar het waren toch duidelijk ‘huizen’; en, hoe geniaal: onder alle stoplichten waren timers gemonteerd zodat je kon zien hoe lang je nog moest wachten met het scheppen van alweer een dronken voetganger die een dergelijke timer klaarblijkelijk had genegeerd. Welnu. In een chaotische mengeling van gebroken Engels (achterbank) en gebroken Russisch (passagierszijde) rolde mijn verbazing zo een beetje voort, werd er gestopt bij het beste (en enige) hotel te Domodedovo-gorod (‘stad’) en was het tijd om alles eens goed tot me door te laten dringen. Ik was in een raar land (vandaar ook de vele aanhalingstekens en haakjes in dit bepaalde deel van dit stukje); maar een ‘land’ was het zeer duidelijk toch wel.

eerstesneeuw

De volgende morgen viel dan (blijkbaar) de eerste nieuwe wintersneeuw. Mijn Vlaamse voor- roergangster – wie ik voor dit alles en het navolgende oneindig erkentelijk ben – raadde me tijdens een rondleiding door de stad aan om dergelijke ijkpunten zoveel mogelijk op papier te zetten. Natuurlijk is daar nooit echt iets terecht van gekomen – een schrijver schrijft nu eenmaal enkel wanneer men hem/haar daar niet om heeft verzocht – maar gelukkig ben ik gezegend met een fotografisch geheugen en kan ik daarom, toch reeds vele maanden later, alles nog vrij goed terug naar boven halen. Er zijn bijgevolge ettelijke verhalen waaruit ik kan kiezen om ze nooit met mijn lezers te gaan delen.

Niet getreurd: er zijn ook een paar anekdotes die ik niemand zou willen onthouden; en één daarvan sluit zowaar nog enigszins aan op hetgeen waarmee dit alles plusminus één jaar geleden is begonnen: MH-f*cking-17.


Laten we deze anekdote luchtig aanvangen met een komisch cultuurverschil tussen ‘westerlingen’ en Russen. Dat verschil draagt een culinair karakter en zal derhalve wel in goede voedingsbodem vallen; maar flauwe metaforen daargelaten laat de situatie laat zich toch het best concreet beschrijven.

Zo nu en dan moest ik 8-jarige kindertjes en 33-jarige co-piloten uitleggen wat het Engelse woord ‘dining room’ nu precies betekent. Je komt dan uit op zoiets als de letterlijke vertaling naar het Russisch, ‘stolovaja’ – een woord dat die kindertjes en co-piloten dan weer associëren met slecht verlichte schoolkantines of met armzalig onderhouden vreetschuren met alcoholistische straatsloebers als voornaamste doelgroep. De oorzaak hiervoor is een eenvoudige kwestie: thuisgekomen eten vrijwel alle Russen namelijk in de keuken zélf, niet in één of ander klinisch ingerichte ruimte wier functie slechts pocherig zichzelf benoemt.

Ergens is dat ook wel logisch, want de Russen die ik in hun natuurlijke habitat heb leren kennen waren in hun vrije tijd voortdurend bezig met voedsel: en de kortste route van (een vaak langdurige) maaltijdbereiding naar (een vaak door drank gestimuleerde) maaltijdvertering is dan diegene die van kooktoestel naar keukentafel loopt.

Het is ergens begin april. Aan zo’n typisch Russisch, gammel houten tafeltje gezeten, wachtend op één of ander experimenteel gerecht dat onder andere gemalen varkensbotten bevat, dwalen mijn gedachten als vanouds af naar vroeger tijden. Ergens meen ik mij eenzelfde plastic tafelkleedje als hetgeen dat voor mij ligt voor de geest te kunnen halen. ‘Opa en oma’, denk ik even. ‘Camping in Zuid-Frankrijk’, ook. Eerder werd mij door de meesterkok van dienst al haarfijn uitgelegd dat het blauw-witte ruitpatroon op dat kleedje een eerbetoon aan de Delfts-blauwe School mocht heten, en dat Delft een stad in Nederland is, en dat Nederland een klein landje is dat aan Duitsland grenst. Ik houd me maar wijselijk van de domme, zoals het een reserve-Belg betaamt.

keukentje

Mijn levensgeschiedenis is vrij ingewikkeld en met mijn komaf wens ik niemand te vermoeien: zolang ik in Rusland woon & werk lijkt het me beter om te zeggen ‘dat ik uit België kom’. Over België weten zowel gast als gastheer maar bitter weinig te vertellen – laatstgenoemde weet niet eens dat het aan Nederland grenst, vermoed ik – en dat is dus de veiligste optie in politiek turbulente tijden als deze. Belgen worden hier vreemd genoeg niet geassocieerd met het centrum van het verderfelijkste aller politieke organen (de EU), neen: zij zijn domweg ‘dat goeiige volkje van bier & bonbons’. De boertige, losbandige Nederlanders staan er daarentegen bijzonder slecht op in Rusland, momenteel.

Al na mijn eerste échte werkweek werd ik verzocht een korte lezing over mijn ware moederland te geven aan de lokale huppeltruttenclub (op zondag, Godbetert). Nu ben ik een vrij cynisch ingesteld persoon, hetgeen onherroepelijk moest leiden tot een toespraak die bol stond van contra-nationalistische zelfspot – want zeg nou zelf, wat valt er nu precies te zien of beleven in Nederland? Slechts nét een beetje meer dan in België, me dunkt. En al het Neerlandsche dát noemenswaardig is of was of wordt of wat dan ook, het heeft iets vulgair-vooruitstrevends: wij zijn een natie van drugs en hoeren omdat ‘drank’ ons al te saai werd.

Nu goed: men kan zich voorstellen hoe die lezing ontaardde in een nogal choquerende voorstelling die de dames al kibbelend huiswaarts deed keren, mij evenwel overladend met complimenten en honderden Roebels (omgerekend toch al gauw een paar euro in ‘echt’ geld). Eind goed, al goed, voorlopig. De huppeltrutjesclub-opper-huppeltrut reed me tevredengesteld naar huis, voorbij het dorp waar… ehhh… Gorki… gestorven is, geloof ik – maar het kan ook Lenin geweest zijn, hoor; het kwam maar kort ter sprake.

(Overigens is Galina Brezjneva, laat-alcoholistische dochter van dik-bewenkbrauwde Generaal-secretaris Leonid Brezjnev, blijkbaar in een psychiatrische inrichting in Domodedovo overleden. Hemelsbreed zal ik daar een paar honderd meter vandaan hebben gewoond, bedenk ik mij nu. Het is een gekke wereld.)

De beschaafde clubjesvoorzitster slingerde op totaal onverantwoorde manier tussen al het andere verkeer door; maar dit deed ze uit beleefdheid (‘U heeft al genoeg tijd verspild op uw vrije dag, jongeman’) en bovendien slingerde de rest van de weggebruikers vrolijk met ons mee, zodat er per saldo weinig reden tot paniek overbleef. Ten laatste bepleitte mevrouw de chauffeuse op pessimistische toonaard de nabije toekomst van Moeder Rusland en zette me zeer bijtijds af bij de voordeur van mijn toenmalige penthouse slash post-communistische blokkendoos. Een vriendelijk gedagje later realiseerde ik me, dat het in de toekomst misschien beter was ietsje diplomatieker met de hele ‘Oost-West’-situatie om te gaan.

De politieke situatie in Rusland is hedendaags zo nijpend dat zelfs een onbenul als ik, met een onbenullige website als bladsite.nl mijn Russische vriendenkring in verlegenheid zou kunnen brengen door hun opinies op typisch Hollands-roeptoeterige wijze de wereld rond te bazuinen. Tijdens mijn dagelijkse Russische internetsessies viel het me bijvoorbeeld al op dat ik zo nu en dan bepaalde websites niet meer kon bereiken: deze worden namelijk door de autoriteiten als ‘onwenselijk’ geoormerkt en dientengevolge van staatswege geblokkeerd. De oplossing hiervoor is simpel: gewoon een paar keer de pagina refreshen (blijkbaar houdt de FSB het na 3x voor gezien met hun online spionagediensten), maar de achterliggende gedachte is toch wel redelijk zorgwekkend. Men houdt ons in de gaten en dat mogen we weten, ook.

Om die reden noem ik mijn gastheer dan maar gewoon ‘Boris’. Dat bespaart me gelijk de noodzaak tot het telkens moeten vermelden dat we hier met Rusland, Russen en Russische zaken te maken hebben. Hou je van vlees, braad je in Croma. Denk je aan Russen, noem je ze Boris. C’est simple comme bonjour, eto prosto kak zdravstvoejtje.

nemtsov

Het heeft flink wat tijd gekost vooraleer Boris mij zijn gedachten durfde toe te vertrouwen. Boris is dan ook een nogal atypische Boris. Hij is absoluut pro-westers en heeft derhalve niets op met zijn eigen president Vladimir Poetin. Sterker nog: hij háát Poetin en dat dan ook nog eens ‘méér dan enig ander mens Poetin kan haten’.

De dag waarop politiek oppositieleider Boris – opdat u niet vergeet in welk land wij verkeren – Nemtsov op geringe afstand van het Moskouse Kremlin werd omgelegd wekte bij mijn gastheer dan ook gevoelens op van diepgewortelde frustratie, oprechte verontwaardiging en – vooral – vrijwel letterlijke verslagenheid. De koe die gedurfd had de kont tegen de kribbe te duwen was in koelen bloede afgeslacht; restte nu slechts de keuze tussen het blaten als makke lammeren op de Bolsjoj Moskvoretski-brug (plaats delict); het in ganzenpas meelopen met Poetins paradewacht op het Krasnaja Plosjad’ (Rode Plein); en het berusten in de tunnelvisie van een raaf op zoek naar eten in een Moskous metrostation (‘Loebjanka’, bij voorkeur).

Momenteel, terwijl ik nog altijd bezig ben mij te herinneren waar ik dat plastic tafelkleedje toch eerder heb gezien, is ‘mijn’ Boris op zoek naar eten. Hij is net thuisgekomen van het stille protest voorafgaande aan Nemtsovs eredienst en rammelt er nu – ter compensatie voor zijn politieke monddoodheid – luid op los met potten en pannen. Uiteindelijk vindt meneer het juiste kookgerei, waarna hij voorzichtigjes begint met het opscheppen van de onwelriekende bouillon die (zoals gezegd) onttrokken werd uit varkensbotten en live wordt aangedikt met klonten reuzel. Wie in dit land diplomatie wil bedrijven mag niemand culinair tegen de borst stoten, dus rest mij niets dan figuurlijk de neus dicht te knijpen en nasaal ‘spasibo’, ‘merci’, te zeggen.

Zoals elke dag vóór deze heeft Boris ook vandaag er een punt van gemaakt zo luchtig mogelijk gekleed te gaan. Dat houdt in dat hij slechts een wit onderhemd en een paarse boxershort plus (bijzonder on-bijpassende) streepjessokken gehuld in goedkope badslippers aan heeft. De beste kerel is al ruimschoots de leeftijd gepasseerd waarop een man zich nog daadwerkelijk genoodzaakt voelt aandacht aan ‘uiterlijk vertoon’ te besteden. Hij bekommert zich meer om zijn bouillon alsmede de daaropvolgende gang van rauwe regenboogforel gemarineerd in paddenstoelendrab dan om zijn prominente bierbuik of vergrijzende haardos.

Bovendien is het onmenselijk warm in deze keuken en valt Boris’ relatieve naaktheid eigenlijk nog wel als een soort van decorum op te vatten. Alle ramen en deuren zijn hier gesloten ‘om de stank niet door het hele huis te verspreiden.’ Liever zit men blijkbaar zélf in een ruimte gevuld met een sterk geconcentreerde versie van die walmlucht opgesloten.

Nu is het dus etenstijd. Tijd om daadwerkelijk te eten, bedoel ik daarmee; en dat heb ik buitenshuis altijd lastig gevonden. In mijn vroegste jeugd ontwikkelde ik een aanstellerige soort van ‘eetfobie’, wat zoveel inhoudt dat ik vrij consequent alles met een suikerwaarde van minder dan 50% weigerde te verorberen. Als gevolg hiervan heb ik jarenlang een grote aversie tegenover groente en fruit tentoon gespreid – een gewoonte die nog weleens de kop opsteekt bij het aanschouwen van aan mij onbekende voedselwaren als vettige reuzelsoep. Geheel ‘toevallig’ mag het dan ook niet genoemd worden dat ik, bij het aanpakken van Boris’ bekraste Sovjetbord vol vleesbouillon, een aardige scheut over het tafelkleed heenkieper. ‘Dat hoef ik in ieder geval niet meer naar binnen te werken’, schaam ik mijzelf om zoveel vernuft.

Wie de Russen ooit in hun natuurlijke omgeving ontmoet heeft zal waarschijnlijk wel erkennen dat ze nogal huiselijk zijn; dus vanuit het niets verschijnt er een poetsdoek, wordt de soepvlek opgeveegd en en passant een nóg vollere lepel varkensbottenbouillon naar mijn bordje overgeheveld. ‘Prijatnovo appetita’, smakelijk eten. Uh-huh.

Atypische Boris schuift bij aan tafel. Beiden gaan we gezeten op een simpel krukje. Stoelen met een leuning zijn in dit land waarlijk een uiting van ‘luxe’, zo lijkt het soms – en dat komt onze beider zithouding weliswaar niet bepaald ten goede maar mag de pret zeker niet drukken aangezien mijnheer een fles ‘druivenextract’ tevoorschijn tovert. Dat is niet mijn woordkeuze maar de zijne: ‘Wijn mag dit niet heten’, merkt hij goedlachs op. Het goedje schijnt voor ongeveer 50% met suiker te zijn aangelengd – dus wie zich de keerzijde van mijn eetfobie herinnert, zal begrijpen dat ik met alle liefde een besmuikt cola-glas aanreik om mij tegoed te kunnen doen aan een dergelijk verbasterde godendrank.

(Omdat het alcoholgehalte geen gelijke tred kan houden met de overdaad aan druivensuiker, bevalt de huidige situatie me beter dan die van enkele weken terug – toen ik overmoedig het ene na het andere glaasje wodka naar binnen sloeg, met een resultaat dat zich laat raden ten overstaande van een ‘9-uur-‘s ochtends’- klas vol stinkende pubers aan de andere kant van dat delirium.)

Nu mijn (visum-gerelateerde) vertrek uit Domodedovo aanstaande is, werpt Boris meer en meer zijn gêne van zich af. Zo nu en dan verwijst hij al naar onze onderlinge band als ‘vriendschap’; en vriendschap kan wel tegen een stootje, dus bespreken we gewichtige zaken als De Grote Terreur van 1937-38 en vergelijken we die met de Holocaust van 1941-44. Het gaat er logischerwijs best verhit aan toe, echter zonder dat de zaak ooit escaleert. Boris is eerder verbaasd over mijn ruimschoots aanwezige kennis over veel van de aangehaalde onderwerpen. Ik vertel hem dat er een periode in mijn leven is geweest waarin ik simpelweg heel veel tijd heb gehad om te lezen, en dat de eerste helft van de 20e eeuw daarbij nu eenmaal op mijn grootste interesse heeft mogen rekenen.

diksiflats

Dat laat natuurlijk onverlet dat je een man van anderhalf keer jouw eigen leeftijd af en toe best wat langer dan jezelf aan het woord mag laten; en op die wijze vervalt mijnheer in een vermakelijke anekdote over de ontduiking van zijn toenmalige dienstplicht. Halverwege dat verhaal piept er plots een deurkruk. De schim die vervolgens behoedzaam naar binnenstapt is bekend met het kookprotocol en sluit daarom de deur zo snel edoch ook zo behoedzaam als mogelijk.
Het is goed en wel beschouwd maar een klein vrouwtje, die schim – maar een zelf-onderhouden jaren-’50 coupe doet het lijken alsof er wellicht nog een tweede hoofd in dat gitzwarte haar van haar huist. Net zo luchtig gekleed als haar oude vriend Boris en haar nieuwe vriend Robert (korte Adidas sportbroek, anoniem-wit, ‘3 halen, 1 betalen’ T-shirt van de Hema) vleit ze neer op de laatst overgebleven kruk, de gekromde rug daarbij gekeerd naar het buitenraam. We zullen haar in al onze bureaucratische wijsheid maar ‘Sofia’ noemen, één van de populairdere meisjesnamen in Wit-Rusland, alwaar ze dan ook vandaan komt.

Het is voor een westerling vaak even wennen aan de relatieve onderdanigheid die ‘oosterse’ vrouwen in de regel tegenover mannelijk gezelschap uitdragen. In het begin was ik daar nogal argwanend over, vermoedde ik ‘dat ze iets van me nodig hebben, hier’. Maar al snel bemerkte ik dat het hier domweg om een cultuurverschil ging en dat Russische vrouwen – Wit of niet – nu eenmaal bijzonder huisvlijtig zijn. Dat ben ik zelf overigens ook, dus dat leverde nog weleens gefronste vrouwenwenkbrauwen op: welke kerel strijkt nu zelf zijn overhemd of vraagt zich af waar de stofzuiger staat? (antwoord: nergens, een handgebonden strooien bezem dient als enig alternatief). Komt nog bij dat Sofia geen woord Engels spreekt en mijn Russisch vrij basaal is. Veel méér dan een beetje stompzinnig geglimlach en wat grammaticaal totaal incorrect geharrewar is er dan ook niet vaak van gekomen, als Wit-Russin en undercover Nederlander elkaar weer eens in de keuken tegen het schaars geklede lijf liepen.

Geen zorgen: mevrouw is ergens halverwege haar veertiger jaren. Meneer hier denkt nog steeds (tevergeefs) de andere kant op qua leeftijden – ook dat is de traditionele denkwijze in Rusland, dus daar is niets mis mee, vind ik.

De keuken heeft steeds de spil qua interactie tussen Boris, Sofia en mijzelf gevormd. De laatste twee weken maakten we er zelfs een punt van elke avond rondom dat Delfts-blauwe keukenkleedje wat slap te ouwehoeren, zo goed en zo kwaad als dat maar kon (gegeven de taalbarrière). Het eerdergenoemde suikerachtige druivenextract hielp daarbij de tongen wat losser te maken zonder dat dit alles in té irrationeel gedrag moest ontaarden. Lees: de wodka bleef op atypische wijze achterwege maar de grammatica deed er evengoed al snel niet zoveel meer toe.

soepie

Terug naar het ‘nu’ van ‘toen’, nu. Op deze bepaalde avond tovert Boris een fles mousserende wijn uit een keukenkastje tevoorschijn. Nee: ‘champagne’ mag het in geen geval heten, maar ‘wijn’ toch al meer dan ooit tevoren. Een en ander verdwijnt al snel in dezelfde colaglazen waarin eerder op de avond nog smerig Baltika-bier (uit een plastic fles) en dus dat merkwaardige druivensapje heeft gezeten.

‘Vkoesno?’, vraagt Sofia mij vriendelijk terwijl ik aan mijn laatste drie lepels vleesbouillon begin – ‘Is het lekker?’

Nogal meesmuilend werpt Boris zijn gaste toe dat ‘Hij’ (ik) het waarschijnlijk ‘niet zo lekker’ vindt. Meneer kent mijn eetgewoonten al redelijk van buiten en weet dat ik beleefdheidshalve nooit eten of drinken zal weigeren, maar dat zulks dan in minimale hoeveelheden genuttigd pleegt te worden tenzij ondergetekende het blijkbaar daadwerkelijk ‘vkoesno’ vindt.

‘Het is oké als je het niet lekker vindt, hoor. Dan blijft er méér voor mijzelf over’, aldus de grijzende pragmaticus aan mijn rechterzijde.

Tussen de soep en de gemarineerde vis door eten we wat augurken in champignonsaus en champignons op augurkenzuur. Sofia en Boris prikken er daarbij ook nog eens flink op los in een bakje vol vettige olijven, gewapend met luciferstokjes waarvan de uiteindes met een bot mes scherp zijn gesneden.

‘Vkoesno?’
‘Tsjoet-tsjoet’ – één van mijn favoriete Russische uitdrukkingen omdat ze me aan een vertrekkend stoomlocomotiefje doet denken; ‘Een beetje.’

Boris kijkt een beetje afwezig naar beneden, naar het tafelkleed waarop hij luid smakkend de éne na de andere voedselrest laat vallen. Sofia ziet dat verveeld aan en pakt mij dan onverwacht met haar kleine vrouwenhand bij de arm. Ze vraagt me wat de mensen in het westen van Rusland vinden. Als in een reflex verschiet ik in mijn rol van reserve-Belg en probeer om de hete brij heen te draaien als ware het een tweede bordje varkensbottenbouillon met reuzelscheuten.

Daar waar Boris atypisch pro-westers is, daar vertolkt Sofia op perfecte wijze de rol van stereotiep-patriottistische arbeidersvrouw. Het enige atypische aan haar is eigenlijk dat ze niet in Rusland is geboren; maar men mag Wit-Rusland nog altijd als het debiele broertje van Poetins tsarenrijk opvatten, dus zoveel maakt dat allemaal niet uit.

‘Ze vraagt wat je van Rusland vindt’, vertaalt de goed-opgeleide Boris het gezegde vanuit het Russisch naar het Engels. Dit doet meneer overigens altijd, ondanks dat hij prima op de hoogte is van het feit dat ik de Russische taal grotendeels wel begrijpen kan. Het is vooral het spreekgedeelte dat me moeilijk valt.
‘Je moet hem niet zo’n lastige vragen stellen, Sofia’, begrijp ik het daarna gesprokene. ‘Je brengt hem in verlegenheid en hij begrijpt toch niet wat je zegt.’ Een stilte en een blik opzij, naar het lange eind van de kleine keukentafel waaraan ik gezeten ga. ‘Ik vertel haar dat deze materie je in verlegenheid brengt.’

Het woord ‘verlegenheid’ had ik niet direct begrepen. Zo soms komt die volautomatische vertaalmachine nog weleens van pas, ook.

Sofia kijkt me verontschuldigend aan. ‘Oh, dat wist ik niet. Zeg hem dat het me spijt.’
‘Het spijt haar.’
‘Dat is geen probleem, hoor. Ik kan natuurlijk niet voor het hele westen spreken, maar ik vind Rusland een interessant land en ben blij dat ik hier heb mogen wonen en werken.’
‘Hij vindt het een ‘interessant’ land.’ Boris lacht met een sarcastisch ondertoontje terwijl hij naar de laatste zwarte olijf in het schaaltje op het midden van de tafel hengelt. ”Interessant’ is het zeker, omdat het door gekken geregeerd wordt.’

Die laatste zin is enkel aan mij gericht en wordt dus in het Engels uitgesproken. Ik lach een beetje ongemakkelijk mee. Sofia snapt de exacte betekenis van de Engelse woorden niet; de strekking ervan is haar echter zonneklaar. Het knetteren begint.

breuklijn

‘Ik snap niet waarom jij altijd zo negatief over je moederland moet doen, Boris.’
‘Ze snapt niet…’
‘Ik snap het’, zeg ik.
‘Ten eerste, Sofotsjka (‘Sofietje’): mijn moeder komt uit Oezbekistan. Dat is een heerlijk land, met een prachtige natuur en exotisch eten dat je hier nergens kan krijgen. Ten tweede …’

De oudste binnen deze trojka verontschuldigt zich even. ‘Sorry, Rob. Ik ben haar aan het uitleggen dat ze gehersenspoeld wordt door alle propaganda op televisie.’

Mooi, de vertaalmachine geeft vast een voorproefje van wat komen gaat, blijkbaar.

‘Ten tweede: welk verstandig mens zou positief zijn over Rusland? Het zit er vol met boeven, de mensen zijn er mak en onderdanig, er is geen vrijheid, niets!’
De vrouwelijke eenling vindt het argumenten van likmevestje. ‘Vergelijk het maar eens met de Oekraïne! Daar worden de mensen pas écht onderdrukt!’, zegt ze overtuigd.

Bijna schiet ik zélf ook in de lach – hetgeen toch ernstig onbeleefd zou zijn geweest. Gelukkig eist Boris’ luid gebulder alle aandacht voor zich op.

‘De Oekraïne, zegt ze! De Oekraïne! Daar zat de grootste boef van allemaal, Sofotsjka! Die schurk van een Janoekovitsj heeft eerst de hele schatkist leeggeroofd en is toen huilend naar zijn maffiamaatje Poetin gerend. En die zot heeft hem met open armen ontvangen!’

De vertaal-inhoudelijke profetie van zojuist wordt vervuld wanneer Sofia pareert dat de Russische staatstelevisie haar heel andere feiten heeft voorgeschoteld.

‘Je bent gehersenspoeld door al die propaganda op televisie, Sofia. Het is allemaal dikke shit; en als ik stront wil zien dan loop ik wel naar het toilet. Er is niets van waar.’

Ter linkerzijde van mij raakt de lieflijke madam met de hoge haardos in hoog tempo méér en méér verontwaardigd. De temperatuur loopt dusdanig snel dusdanig hoog op dat zelfs de reeds beslagen buitenramen in angstzweet lijken uit te breken.

‘Het is wél waar, Boris! Je kunt de beelden toch zélf zien! Kiëv wordt bestuurd door een bende facisten die …’
‘Houd toch op, dom mens.’

En met een zeer theatraal wegwerpgebaar verwijst Boris alle argumenten van zijn geliefde vriendin naar het rijk der fabelen. Dat is dan dat, zo lijkt het een aantal seconden lang. Lijkt, want de vrouwenhand vindt de mannenarm weer.

‘Snap jij dat nou, Robert? Hoe hij zo over Rusland kan spreken?’

Ongemakkelijk, dit.

Ongemakkelijk omdat ik niemand voor het hoofd wil stoten; maar ook ongemakkelijk omdat ik de Hollander in mij in toom moet zien te houden. En daar is dan toch weer MH-f*cking-17, de druppel die voor mij de emmer in dezen doet overlopen.

‘Het is een pijnlijk verhaal voor ons’, verwijs ik naar gans mijn vaderlands mede-volk. ‘Je weet wel, met MH17.’
‘Hij heeft het over dat vliegtuig dat vorig jaar is neergeschoten. Weet je daar iets over, Sofotsjka?’
‘Boven de Oekraïne?’ Ik knik. Boris knikt. Vertaling onnodig. ‘Dat was een militair vliegtuig’, beweert Sofotsjka.
‘Nee, dom mens’ – spreekt Boris, voor de goede orde – ‘Dat was een passagiersvliegtuig vol met onschuldige kinderen erin.’

In de achtergrond kunnen we de televisie in Sofia’s slaapkamer allerlei reclamekreten door de papieren wand achter het keukenblok horen werpen. Om onduidelijke reden kijken we allemaal even naar de klok bovenaan de keukendeur. Over 3 minuten begint het 8-uur bulletin.

‘Dat hebben de Oekraïners gedaan. Ik heb het op televisie gezien. Het was een Oekraïense straaljager die dat vliegtuig heeft neergeschoten.’ Armen over elkaar gekruist; einde discussie wat mevrouw betreft. Niet wat meneer betreft.
‘Sofotsjka, toch. Hoe kun je toch met open ogen voor die verdomde propaganda vallen? Ik had gehoopt dat je verstandiger was dan dit. Ik ben echt teleurgesteld in je.’

Sofia’s gekruiste armen vliegen daarop in spreidstand de lucht in en stoten daarbij godzijdank het cola-glas met napruttelende mousséwijn om. Huisvlijt wint het vervolgens van haat & nijd omdat het vloeibare goedje zich geen raar lijkt te weten met het plastic dekzeiltje en zich daarom maar een weg probeert te banen naar het kwetsbare grondtapijt onderaan de keukentafel. Dat moet ten koste van alles voorkomen worden en dus gaat Sofia naarstig op zoek naar een poetsdoek of keukenrol. Boris lacht maar een beetje voor zich uit en haalt al augurkenetend zijn schouders op.

‘Laten we erover ophouden’, stelt hij voor.

En zo geschiedde, weliswaar onder een steeds verder wegstervend gemompel in de trant van ‘Poetin zou zoiets nooit toestaan’ en ‘Poetin heeft dat ding waarschijnlijk hoogstpersoonlijk uit de lucht geschoten.’

Mijn ongekende stilzwijgendheid doet de discussie uiteindelijk definitief doodslaan. Stel je dat eens voor, zeg: een Nederlander die zijn mening niet kwijt kan omdat hij al te zeer behoefte aan nuance heeft! Waar gaat het in vredesnaam heen met deze wereld?

tafelgedekt

Arme Sofotsjka moet drie keer op en neer rennen om de dreiging van de alcoholhoudende olievlek op de tafelrand definitief de kop in te drukken. Tijdens de tweede gang prikt ze gelukkig reeds plagerig met haar afgekloven luciferstokje in het olijvenschoteltje dat Boris zojuist heeft leeggegeten. ‘Je bent zelf een boef’, bijt ze hem nog even toe – maar het heeft al iets lieflijks, de crisis lijkt bezworen. Terwijl onze Wit-Russische vriendin de laatste restjes vocht uit haar aftandse keukenvod wringt, begint mijn lichaam zich alweer wat meer te ontspannen en permitteer ik mezelf een slokje nep-champagne.

‘Robert?’, klinkt het dan vanachter mijn rug, die onmiddellijk weer in de onderdanige-hond-positie schiet. Zou ze nu die discussie écht weer aan gaan zwengelen? Moet ik dan echt een mening vormen over een situatie die ik vanwege alle gevoeligheden liever vergeet dan haar te herdenken?

Met tegenzin draai ik me op mijn krukje om teneinde het antwoord op mijn eigen vragen te ontdekken – eindelijk een situatie waarbij een kruk praktischer is dan een volwaardige eetkamerstoel, trouwens – en kijk dan tegen Sofia’s kleine schouderpartij aan, zonder te kunnen zien waar ze nu precies mee bezig is.

‘Govori s mnoj, Sofia.’ – ‘Zeg het eens, Sofia.’

‘Niet zuchten, Robert.’ Een vriendelijke blik uit toch wel hele mooie ogen. Een geruststellende frase van tussen eigenaardig dunne lippen. ‘Ik heb een leuke vraag voor je.’
‘Govori s mnoj, Sofia.’
‘Geloof je in magie?’

Dan draait ze zich om, de rechterwijsvinger triomfantelijk in de lucht stekende, waarop ze met een beetje speeksel een stukje keukenpapier heeft geplakt.

‘Boris zal me wel weer een onnozel wicht noemen, maar ik zeg het je, Robert: magie bestaat. Posmotri – Kijk maar.’

De Wit-Russin neemt haar stekje aan de westkant van de tafel weer in en klopt met haar wijsvinger op de tafelrand. Dan heft ze de hand weer omhoog en daarmee lijkt het papiertje – inderdaad op magische wijze – naar de middelvinger te zijn verplaatst. Ze herhaalt de handeling, waarna het papiertje weer de eerdere positie op de wijsvinger in heeft genomen. ‘Magie’, legt ze uit.

Boris kan gelukkig weer vrijelijk lachen. Hij kent Sofia’s goocheltrucjes al, natuurlijk. Het stelletje ouder-dan-ik-lingen kijkt elkaar tevreden in de ogen. De enige domkop in hun midden bevindt zich momenteel zowaar aan het langste eind van de keukentafel. Daar zit je dan met je Informatica-achtergrond.

‘Hij snapt het niet’, verbaast Boris zich over mijn onlogische stupiditeit.
Ik gis een aantal maal naar de juiste oplossing en hef uiteindelijk de handen vol overtuiging ten hemel. ‘Magie!’, luidt mijn conclusie.

Sofia legt de truc uit. Ik probeer haar na te doen, hetgeen echter een hopeloze missie is gegeven mijn uiterst gemankeerde lichamelijke motoriek in combinatie met Sofotsjka’s ranke handjes. Boris wil niet achterblijven, voert zijn eigen toneelstukje op en lijkt zowel teleurgesteld als opgelucht wanneer ik zijn goocheltrucje met één simpele verklaring van alle magie ontdoe.

glas

‘Very good, very good’, klinkt het vaderlijk terwijl mijnheer de rauwe forel uit de onderste lade van een bom- en bomvolle koelkast naar boven haalt. Hij draait de lappen vis een paar keer om – nog wel met dezelfde bespuugde vingers als degene die zijn goocheltruc van zo-even nu eenmaal benodigde – en schotelt mij het grootste en meest gemarineerde stuk van allemaal voor.

‘Probeer het maar. Het is oké als je het niet lekker vindt.’

Sofia blaast hoorbaar wat lucht haar neus uit omdat ook zij reeds bekend is met mijn ongemakkelijke eetgewoonten. Ze glimlacht en pakt zowel Boris als mij weer bij de arm, maant eerstgenoemde plaats te nemen op diens lullige keukenkrukje en heft haar cola-glas ten teken van een aanstaande toost. ‘Op Rusland’, zet ze de toon.

‘Op de Oekraïne’, antwoordt Boris. Even wordt hem een blik van ‘Begin nu niet weer opnieuw’ toegeworpen, die hij wonderwel correct interpreteert en daarom maar Sofia’s toost herhaalt. ‘En op Rusland, natuurlijk.’

Dan lijkt mijn beurt gekomen. ‘Op Wit-R…’

‘Een Rusland zonder Poetin’, gooit Boris er dan tóch nog even plagerig een nagedachte achteraan.
Sofia pareert zalvend: ‘Op Rusland, de Oekraïne, op Wit-Rusland en op België.’
‘Rob komt uit Nederland, mens.’

De glazen dreigen alweer onuitgedronken terug op de tafel te worden gezet; maar gelukkig redt mijn laatste stompzinnige toost de zaak.

‘Op magie!’, zeg ik, sta op, en neem een slok.

Alle drie begrijpen we dat we nooit eendrachtig over MH17 zullen kunnen oordelen: die gebeurtenis is ons overkomen, heeft ons allen geraakt en heeft ons verbitterd en apathisch weten te maken. Op één of andere manier is er daarna echter ook iets gebeurd dat ons – in deze ongelooflijk onwaarschijnlijke setting – tezamen heeft weten te brengen; en om die reden hoeven we onze volgende welgemeende heildronk niet langer uit te stellen. ‘Op een toekomst vol vriendschap’, zal dat worden.

Het is bijna mid-april. Een Hollander in den vreemde snijdt een flinke moot uit de regenboogforel die voor hem op een bekrast Sovjetbord ligt. Zijn eetfobie moet hierna even de wijk nemen.

‘Vkoesno?’
‘Vkoesno, Sofia. Spasibo, Boris.’

Tevreden slaat Boris mijn gekniesknauw gade. ‘Hij vindt het lekker’, legt hij vooral aan zichzelf uit, om dan stoïcijns met de bereiding van de maaltijd van morgenavond te beginnen.

Dat kan best weer eens een gedenkwaardige avond worden.


Dat tafereel daar in die keukenkamer vat dus – in ‘s werelds grootste notendop – een voor mij uiterst vreemd verlopen jaar samen. Er was die oncontroleerbare explosieve gebeurtenis; er volgde de onmogelijkheid om daar een goed overzicht op te creëren; er is nog steeds die ongelooflijkheid van een leven dat zichzelf aan haar vertwijfelde onderdaan blijft presenteren en ontvouwen. Er is een verleden dat zichzelf herdenkt om alles in een huidig perspectief te plaatsen, zelfs al zijn we inmiddels één jaar verderop in de toekomst aanbeland.

Over dat verleden hoeft men verder niet veel meer te vragen, zo lijkt me (anekdotes daargelaten, uiteraard). Vraag me liever ook niet naar die toekomst: ik heb er geen weet van; en elk geschrift van mijn hand daarover zal gebukt gaan onder een wildgroei aan metaforen die moet verbloemen dat alles er mogelijkerwijs, maar niet per se, rooskleurig uit zal gaan zien.

Dit verhaal eindigt domweg midden in het middenstuk van een groter geheel. Niemand is perfect en niemand moet dat willen zijn, ook.

Net zoals dat gold voor mijn stuk van vorig jaar (plus enkele dagen legitiem uitstel), is de voor mijn schrijfstijl kenmerkende ellips – die de kop van dit verhaal met het staartje ervan moet verbinden – er dus één vervuld van mankementen. Net als toen luister ik momenteel alweer 7 uur lang naar iets dat ‘Thunderstorm and Rain Sounds over the Ocean, 10 hours’ heet – hetgeen nog steeds een verbazingwekkend prettige/LSD-achtige uitwerking op mijn productiviteit als schrijver blijkt te hebben. Het heeft iets magisch. Het laat het feitelijke verleden weer in mijn fantasie toe.

moksou_horizon

Juist die acceptatie van het ongrijpbare – zowel ‘het voorbestemde’ als ‘het magische’ – heeft elk excuus tot ‘uitstel’ van het doorlopen, beschrijven en herlezen van dat afgelopen opmerkelijke jaar zojuist als Domodedoveaanse sneeuw voor de Vlaamse zon doen verdwijnen. Het is oké, nu: al het mogelijke is gedaan.

Laat de rest maar weer lekker vanzelf gebeuren.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.