Een schop in mijn kop

diesel-engine-turbocharged-16-cylinder-28678-2437233De naald van de benzinemeter staat op nul. Op de dieseldampen van mijn laatste kunnen kan ik nog éénmaal de hele wereld verwensen, alvorens er volledig toegewijd in te willen vervluchtigen. Ik heb me laten vertellen dat uitlaatgassen in het algemeen – en waarschijnlijk dieseldampen in het bijzonder – weliswaar niet gezond zijn voor de algehele gesteldheid van een mens, maar daar plaats ik graag een kanttekening bij: dergelijke rotzooi verplaatst zich namelijk onherroepelijk naar bóven, alwaar het opgaat in de wereld van het gespuis waarvoor ik thans ben weggevlucht. Dat zal ze leren.

Ja: u mag mij best een slappeling noemen. Ik neem de wijk voor een stel knulletjes dat luidruchtig een simpel avondje stappen beklonk met wat halflauwe pintjes in de kamer boven mij. Sterker nog: deze slappeling is muisjesstil op kousenvoeten vertrokken, opdat de heren eerderjarigen toch maar vooral geen last zouden ondervinden van de aftocht dezer gefrustreerde, gefaalde en bovenal overjarige student. God: wat heb ik die jongelui afgelopen nacht verwenst, alsof mijn hoge bloeddruk het dronken gelal en bijbehorend provocerend muurgeklop probeerde te overstemmen middels zoiets onbruikbaars als de aanvang van ‘s mans allereerste eerste hartaanval. Maar nee: ik ben een slappeling, mijn hart kan weigert de nobele dood der confrontatie te sterven. Het enige dat ik wist te bedenken waren meer bedenksels, zelfgeschreven scenario’s waarin ik in mijn eentje de stoere bink uithang tegenover drie piepkuikens die enkel in geschiedenisboeken de jaren ’80 hebben gezien.


De jaren ’80, inderdaad. Op de eerste 29 dagen na, heb ik eigenhandig dat hele verdomde decennium afgeraffeld; en zodoende heeft uw nederige dienaar alhier nog menig opstel moeten schrijven met zoiets als een ‘vulpen’ in de hand (tegenwoordig denkt het gemiddelde basisschoolkind waarschijnlijk dat ‘vulpen’ en werkwoord is – zoiets als ‘skypen’ of ‘whatsappen’, zogezegd). Tijdens die waardeloze geboortejaren van die figuren bovenaan zowel mijn bijdrage als mijn plafond deed dan weliswaar de computer zijn intrede; het betrof hier echter onooglijke abominaties die de betekenis van elke toetsaanslag in de krochten van eeuwenoude bibliotheken plachten op te zoeken. Gelukkig werd dat alles op een gegeven moment vervangen door elektronische encyclopedieën, die daarna wonderwel ter inzage beschikbaar kwamen voor elk niet-Noord-Koreaan op onze aardbol – maar het kwaad was toen al geschied: ik zou een slappeling blijven in een wereld die zich niet kan vinden in mijn woorden. Het is om die reden dat ik verkies te zwijgen tegenover de nietsvermoedende Neerlandici van daarboven, daarboven in hun bovenkamer waarin steeds kortere stukjes steeds vaker de essentie van alles pureren tot een eenheidsworst waar de honden geen brood van lusten.

Naast een slappeling ben ik blijkbaar ook nog eens een snob – aldus verkies ik resoluut van onderwerp te veranderen. Voorgaande nonsens heeft u vast al vaker gelezen, en zulke stukjes zullen de eerstejaars van nu wellicht over tien jaar ook weer schrijven; ze zijn me de eerste driehonderd woorden nauwelijks nog waard. De dieseldampen rondom mijn gelaat zijn allerminst volledig weggetrokken, blijkbaar. Gelukkig trekt het spul nog steeds richting hemeldak, daarheen waar ik absoluut niet vaak meer te vinden zal zijn: ik vlucht niet in de breedte, maar in de diepte.

Het zit zo, namelijk: ik heb een plan bekokstoofd. Mijn hersens zitten vol met plannen, moet u weten. De meeste daarvan zijn volledig onafgemaakt, de overige veelal halfslachtig ingevuld; het laat zich echter aanzien dat eindelijk het moment is aangebroken waarop die rare, kronkelende en bijna letterlijk grijze massa van mij al die theoretische rotzooi niet meer kan aanhoren en het daarom aan het lichaam delegeert. Et voilà: onderaan de trap van de woning waaruit ik werd verdreven, staat schrijver dezes momenteel met een ouderwetse schep in zijn handen – en niet eens volledig lummelend: de eerste twintig centimeter aarde zijn reeds aan de kant gewerkt, er zit zowaar progressie in de zaak. Een vrij unieke ervaring, moet deze slappeling toegeven.

Code

Mijn vorige opleiding, hogere informatica – ik heb iets met hoogtes en verheffingen, blijkbaar – bracht mij weinig goeds. Jarenlang heeft men geprobeerd elke vorm van creatief denken binnenin schrijver dezes aan hem te ontnemen, en wel via zaken als ‘lineaire algebra’ en ‘low level programmeren’. Wie drieduizend regels programmeercode schrijft, loopt geheid tegen één of andere wijsneus aan die zulks vol dedain naar de virtuele prullenbak verwijst:
Dat had allemaal makkelijk op maximaal, zeg, tweeduizend lijntjes gepast.
Poef, weg met alle overbodige overdrijvingen.
Goed, daar gaat het nu niet om. Het gaat er niet om dat ik die vorige studie niet naar behoren wist af te ronden omdat meneer hier spelletjes ontwierp waarin helikoptertjes door losgeslagen tornado’s werden opgeslorpt terwijl ze bezigwaren met zoveel mogelijk buitenaardse wezens aan gort te schieten; dit terwijl de rest van de klas netjes één of andere sullige rekenmachine in elkaar aan het draaien was.

Of misschien vergis ik me, misschien gaat het daar juist wél om: want wat die vervloekte computerkunst blijvend in mij wist te impregneren, was een zekere mate van binair denken.

In mijn eigen ogen ben en blijf ik maar een simpele 0 aan het begin om het éénder welk verhaal; een overbodig, nietsbetekenend symbool van zodra er ook maar ergens één eerste 1 op volgt. Welke lul begint zijn verhaal ook met een nul, eigenlijk? Welnu: die lul met die schep in zijn handen, omgeven door dat zand dat langzaamaan aan het vergaan is tot modder waarvan de geur al doet vermoeden dat ‘drek’ zich snel zal aandienen. Deze nul is die lul die eindelijk besloten heeft een plan echt uit te voeren. ‘Uit’ te voeren, inderdaad, zoals de binaire worm in dat verwaande brein dat ‘aan’-draagt. Waar het uitgaansvolk van gisternacht – nu toch lichtelijk onder de invloed van de slappe tongen der laatste dieseldampen van mijn frustratie – lyrisch de strijd aangaat met het zwart-witdenken van al het voorgaande, daar is het voor de laffe, snobistische semi-nerd beneden hen simpelweg een kwestie van ‘uitgaan’ of ‘aangaan’. Welnu: ik vang met dit plan aan omdat het mij simpelweg nog de enige uitgang lijkt.

Mijn hersens hebben alweer genoeg van hun eigen belachelijke neiging tot het constant verzinnen van nieuwe bijgedachtes, welke immers weer zullen leiden tot meer vertakkingen, hetgeen uiteindelijk drieduizend totaal onontwarbare codewoorden opleveren zal welke u, als expert, op dodelijk accurate wijze kunt reduceren tot één enkele term: ‘pretentieuze bullshit’. Waarschijnlijk hecht u meer waarde aan een verdere uiteenzetting van dat plan met die schep. Het daarmee te delven graf is inmiddels al drie keer zo diep als daarnet, trouwens: zolang ik blijf schrijven, graaft dat ding zich blijkbaar vanzelf.

Wat ik beoog te doen, is een lange tunnel tot in het eind van het bestaan te graven. Wat ik wil, is mijzelf hullen in een duisternis waarin zelfs alle kwaad geen raad met zichzelf meer weet. Het zal er rustiger zijn dan de Dood zich ooit kan voorstellen; diezelfde Dood gelijkt slechts een slap aftreksel van hetgeen waar uw losgeslagen programmeur zonet naar op zoek is gegaan.

the-big-dig-a-makeshift-hole-from-germany-to-china_616

Nu beeldt menig mens zich waarschijnlijk een verwend kind in dat zich verwaand een weg naar China probeert te graven, maar bij gebrek aan noodzaak niet verder komt dan een goede vijftig centimeter in die onvergeeflijke Vlaamse kleibodem van ons. Wis en waarachtig: precies hetzelfde hersenspinsel schoot zojuist doorheen mijn eigen voorstellingsvermogen; evenwel gelukte het al snel om zulks naar het rijk der fabelen te verwijzen, getuige ook het gat in de grond waarin ik sta, nu goeddeels al manshoog. Deze man mag dan maar een slappe worm zijn gebleken: een dergelijke creatie Gods is in mathematisch opzicht beslist langgerekter dan het verwende kind dat hij in de tachtiger jaren zelf was. Zijn drassige route richting China staat reeds tot nét bovenaan dat voormalig kinderkopje vermeld, prikkelt daar alle zintuigen in clichématige metaforen als ‘vers gestort cement waarvan de geur je doet denken aan het gerammel binnenin zo’n enorme betonmolen op wielen die, in al zijn enormiteit, de grond kan laten dreunen; waarvan, ook, de dieseldampen een misselijkmakende sensatie op het puntje van uw tong weten in te branden’. Kijk: zo werkt dat dus, wanneer je jezelf een weg richting absolute zelfverbanning probeert te scheppen. Geschiedschrijving is een volautomatisch proces, meent dit fossiel in wording te weten.

Men zou kunnen denken dat ik op zoek ben naar een absolute zintuigloosheid; en hoewel ik u een dergelijk vermoeden allerminst kwalijk neem, voel ik mij verplicht die voorstelling van zaken te weerleggen. Een onvermijdelijk dwaalspoor helpt mij eraan te herinneren dat ik de idee van een eigenschapsloze ruimte al eens voorbij heb zien komen in één of ander boek of boekverfilming. Mijn paranoia fluistert mij zodoende de mogelijkheid tot plagiaat in het linkeroor: het is hierom dat ik andermans fictie verafschuw lezen. Niet omdat ik mij hoger acht dan al hetgeen een ander al vóór mij heeft geschreven – oh God, nee. Nee, integendeel: het te lezen zou me doen beseffen hoeveel genialer dan de mijne al andermans ideeën plegen te zijn. Een ‘eigenschapsloze ruimte’: wat een prachtig begrip, zulk heerlijk materiaal dat nimmer zelfs maar benaderd mag worden …
Helaas, het is al te laat. De eigenschapsloze ruimte staat voor eeuwig opgenomen in dit stuk. Zelfs al mocht ik dit hele document wissen, deze oneindige reeks van nullengelul waaraan maar geen Eins lijkt te komen – dan nóg is het oorspronkelijke idee al besmeurd door de drek onderaan de kraag van mijn tien jaar oude T-shirt met (opeens weer modieuze) V-hals.

Dat is dan wel weer aangenaam: via deze hele passage zijn we al gauw weer een halve meter opgeschoten. De spade in mijn handen zou er bijkans bot van worden, ware het niet dat het al de botste schep was die ik in alle gauwigheid had weten op te duikelen.
Een dergelijk gat als dit graaft men eigenlijk het beste met de handen. Het zand moet zich min of meer een weg vreten tot diep onderaan je nagelriemen en daar rouwranden vormen rondom de verhoornde stukjes laatste menselijkheid welke nog altijd het dunste straaltje daglicht kunnen weerkaatsen. Maar, kom: laat ons pragmatisch blijven – het schijnt namelijk dat nagels zelfs na je dood nog verder gaan met groeien. Het is een beter idee om ze voorlopig te sparen opdat ze, tot halverwege de vervulling van mijn megalomane plannetje, kunnen groeien tot elk een maatschep op zichzelf: op dat moment valt het excuus van de botte schep al lang niet meer te rechtvaardigen. En op dit moment is mijn hoofd al niet meer zichtbaar voor buitenwereld.

diggingtochina

Grappig hoe zo’n kuil vanzelf twee keer zo diep wordt omdat de aarde die je opschept nu eenmaal ‘ergens anders’ terecht dient te komen. Bovenop dat onwerkelijke gat van dat onvolledig beschreven plan heeft zich dan ook een uitgeholde mierenhoop van uiterst poreuze aard gevormd. Mocht ik zelf ‘zand’ geweest zijn, dan had ik liever mee de diepte in gereisd dan de hoogte in te schieten; en blijkbaar dachten meer auteurs er zo over, zodat er regelmatig respectabele hoeveelheden korrels en klompen zich een weg terug richting hun oorsprong storten. Hoe groter de afstand tussen de bovenkant van de mierenhoop en de onderkant van het gangenstelsel, hoe pijnlijker dergelijke klappen ook worden; eens te meer omdat het besef intreedt dat het moeilijk, moeilijker en ten slotte onmogelijk wordt om nóg meer aarde bovenop de bovenkant van dit onwerkelijke bouwwerk te deponeren: het ontbreekt een mens op een gegeven moment simpelweg aan kracht daarvoor, natuurkundig gesproken kan de zandrand ook niet langer standhouden dan de uitersten van de bijbehorende wetten dat toelaten.

Er is echter een oplossing, bedacht ik zonet, terwijl het grondwater mij al aan de lippen begon te staan: we moeten in de bréédte graven, alvorens verder de diepte in te kunnen. Wanneer we de cirkel groter en groter maken, dan past er meer en meer slijk omheen, dat daarenboven steeds gerust een trapje omlaag mag vallen zolang de doorsnee van dit alles dat maar toelaat. Mijn grondboor verwordt nu tot aardappelschiller (hoewel het uiteraard nog steeds dezelfde schep of schop betreft) waarmee ik vrijwel de hele onderste etage van mijn studentenhuis tot één simpele sliert reduceer … waarna een nieuw heikel punt zich aan de logica der mensheid opdringt.

Hoe graag had ik niet gezien dat mijn cirkel ‘rond’ zou zijn, dat ik mijn plan onverstoorbaar uit kon blijven oefenen tot dan eindelijk de gedroomde diepte gevonden werd. Nu, echter, wordt dergelijke perfectie gedwarsboomd door het rechthoekige grondplan van het kader waaruit ik juist probeer te ontsnappen. In de tijd dat u zich bezighield met het ontleden van de vorige alinea, probeerde ik stoïcijns onder de werkelijkheid uit te komen door de breedte van de kuil ruim genoeg te achten om diep genoeg te kunnen geraken; natuurlijk sloeg dat nergens op en klaterden al spoedig dikke lagen löss bovenop goudgele troep waarin schattige plantjes nóg schattigere worteltjes hadden doen ontspruiten, die zich dan een niveautje lager wentelden in de eerder vermelde bagger, welke dan uitermate tevreden in het grondwater plonsde waarin ik sowieso dreigde te verdrinken.

Nu: ik ben aan dit stappen- en trappenplan begonnen; laat ik het dan ook eens geheel en al afmaken, zoals een binair mens betaamt. Het water moet weg, de cirkel moet breder. Van het éne probleem valt wonderbaarlijk genoeg de oplossing voor het andere te maken. De muren van mijn studentenhuis zijn in feite niets anders dan verharde zandranden op een stevig, maar dun laagje fundament. We kunnen de botte schep als slopershamer gebruiken om dat fundament weg te tikken: dat is al gebleken aangezien de kuil-om-aan-het-daglicht-te-ontkomen anders nooit het daglicht had gezien. Eens het fundament weg is, smijten we het water tegenaan de grond waarop de muren pogen te blijven steunen: het geheel zal als een kaartenhuis ineenkrimpen, om daarna hoogstens een ruime puinwaaier bovenop al die andere grondsoorten uit te storten.

Ja: dat klinkt allemaal best aannemelijk, eigenlijk. In dat geval kan ik weer de breedte in, en van daaruit weer de diepte in tot aan die flessenhals vol grondwater.

Wat doet het er eigenlijk ook toe: het plan blijkt niet waterdicht, die bottleneck wordt enkel groter. Al het graafwerk resulteert nu in een zee of meer aan vloeistoffen: ik zweet mezelf een ongeluk tussen alle doelloze loospogingen door. Zozeer ben ik in mijn eigen wirwar van goedbedoelde wegcijfering verzandt, dat zelfs het motief voor dit alles me ook nog dreigt te ontglippen. Nu, tijdens het slechten van de muren van het huis waaruit ik probeerde te vluchten, snap ik dat het eeuwig fout zal blijven gaan. Want met de puinwaaier, waar steen, ijzer, koper en pleister in verwerkt zitten, komt ook de gehele bovenverdieping naar beneden; en daarin bevinden zich de kalksplinters en lapjes kalfsvlees die tezamen ooit mijn bovenburen vormden. Met donderend geraas klettert die (door mij) vermoorde onschuld zich, hupsakee, zó op mijn vermoeide schouders. Ik kan het niet meer aan, het sprookje lijkt uit. De reden waarom ik begon te graven is nu onderdeel geworden van het graafwerk zelf en tot zulke diepten weet zelfs mijn verachtelijke brein niet meer te geraken. Door mezelf weg te wensen tot in de zielloze kern van het bestaan, betrok ik mensen bij een plan dat in plaats daarvan hén wegwerkte – iets dat iedereen mij voor altijd zal blijven aanrekenen, zelfs tot vér voorbij mijn dood.

_73548877_73548876

En wat doet het er eigenlijk ook toe, inderdaad: niets van dit alles was ooit ‘echt’. Ondanks al dit pretentieuze geouwehoer ben ik nergens verder gekomen dan te ontwaken uit een droom waarin ik, om één of andere reden, een bijzonder botte schep in handen had.

Vanuit het plafond klinken nog wat nutteloze kreten: flarden van benevelde geesten die morgenochtend weer braaf naar school vervliegen. Eén en ander staat in Schril contrast met het gemekker van een zeurende oude bok, die al deze tijd beter had kunnen besteden aan het schrijven van een mooi opstel over, zeg, de invloed van de social media op de traditionele vorming van vriendengroepen, en in welke mate die – middels de constante drang naar bevestiging van de eigen standpunten – juist buitensluiting van andersdenkenden, van potentiële ‘ouderwetse’ vrienden tot gevolg kan hebben. Zoiets zou misschien als een tikkeltje saai, ietwat onorigineel en nauwelijks openbarend worden beoordeeld; het zou evenwel drieduizend malen beter worden begrepen dan stomme dromen over stomme plannen met scheppen en emmers en water en muren en doden en eindeloze reeksen van enen en ennen.

Zo werkt dus de binaire mens in mij, die verkozen heeft stomme spelletjes met helikopters en tornado’s aan de mensheid aan te bieden terwijl hij weet dat zulks geen enkel functioneel nut dient. Dit, dientengevolge, is een mens die zich volledig realiseert dat hij zijn kansen doelbewust heeft gemist omdat hij al gevonden heeft wat hij zojuist nog in zijn dromen zocht: een soort van eigenschapsloze ruimte, een peilloze diepte waarin weliswaar iets leven kan, maar waar het tegelijkertijd slechts tegen zichzelf praat – alsof men zich al in het graf bevindt; genegeerd door de beledigde Dood van daar beneden, immer aangeroepen door de werkelijke wereld van daarboven.

Ja, besef ik mij terdege: er zijn nog steeds mensen die mij uit deze put wensen. Misschien moet ik hen eens een stukje zoals dit laten lezen: ergens zullen ze het vast wel waarderen. Wellicht kunnen ze het genoeg relativeren opdat ook ikzelf in bulderend gelach moge uitbarsten omwille van zoveel pretentieuze bullshit, zoals hierboven uitgewaaierd op een virtueel soort papier waarvan ik, als volledig-jaren ’80-kind, eerder nooit had durven dromen. Dit tijdloze gelul, dat resulterend vriendengebulder: het zal immer elke onderbuur ernstig irriteren, maar ik bezie het nu eens van de andere kant en voel me daardoor zoveel jonger. De dieseldampen van mijn frustratie heb ik eigenhandig in de aardkorst terug doen trekken; en daartoe benodigde ik niet eens drieduizend codewoorden.

Toch had het allemaal veel kernachtiger gekund – u mag het mij gerust verwijten. Het spijt me: diesels komen nu eenmaal traag op gang. Bij wijze van goedmakertje volgt alsnog een eigentijdse samenvatting:

Eén nul, vlak voor het einde.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.