Canon

Ik snap ‘t niet: je kijkt zo lief,
zo innig welgemeend;
En wat ik zie, ‘t lijkt me niet
verminderd of versteend

Dat kan ook niet: men blijft verliefd,
‘t tintelt als men weent;
En dat verdriet, ‘t twijfelt niet –
‘t wil dat jij me breekt.

canonJij, die constant naast me zit
in stemmig-rode lichten –
beiden ondermaats belicht
… maar elke foto dichter

En daar zijn dan die ogen ook,
die lenzen in de lens,
die waarlijk naar vermogen schoot,
twee mensen… maar één wens.

Ikzelf zie ‘t plaatje niet
terwijl ‘t wordt vervaardigd;
Welwillendheid verraad je niet,
kijkt daarom nog zo aardig

Welwillend lief, na maanden strijd,
word ik nog aangestaard
in beelden die bestaan in feit,
in “klik”-dot-apenstaart.

Maar nu pas dus, zie ik ze weer –
die ogen van ons samen;
Geen ruzie: rust; geen minder: meer –
bedrogen nog ‘t drama.

Mijn God, mijn lief: wat deed je daar,
hoe kon je ons bedriegen
in shots, archief, in weet-ik-waar –
op rollen negatieven.

En dan opeens, vind ik iets geks
in platen vol gepriegel;
Waarna ik weet, van jouw reflex:
je staarde naar de spiegel.

Dus snap ik nu, je lieve blik,
beschouwd als welgemeend;
Want achteraf: verliefd was ik
op jou… maar niet alleen.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.