Oude Man, meet nieuwe Oude Man

insuff

Buiten regent het. Een oude man in een oude jas loopt ergens heen; bestemming, motief noch doel zijn aan mij bekend. Uiterst traag beschrijft hij de weg die zich vanuit mijn raam tot aan het einde van de straat uitstrekt, als was het een eerste onbeholpen poging van een 10-jarige basisschoolleerling om zaken in andermans perspectief te tekenen. In mijn gehaastheid merk ik niet op, dat de oude man in de oude jas ondertussen alweer achter mijn 10 jaar oude computermonitor is verdwenen. Zijn voetstappen sterven stervenstraag weg; edoch net snel genoeg om ze te missen.

Want het leven is hoe dan ook gehaast. Er is nauwelijks nog tijd om dergelijke stukjes te schrijven. Momenteel werkt elke minuut in mijn nadeel; ik worstel met andermans deadlines en vecht tegen mijn eigen onbegrip daarover. Studies conflicteren met toekomstplannen, terwijl ze eigenlijk in dienst van elkaar moeten staan. Van elke 30 euro die ik te besteden heb, geef ik er 35 uit. De nacht omarmt me opdat ik niet uit de voeten kan met het daglicht. Het leven heeft haast me in te halen en me op de knieën te dwingen. Rusteloos berust ik in berusting; steeds vaker neemt het computerscherm mijn volledige raamwerk in beslag.

Zelfs de vastigheden van nog-maar-enkele-maanden-terug lijken tergend langzaam te verdwijnen. De oude man in de oude jas heb ik in geen tijden meer gezien; misschien heeft het leven hem reeds lang geleden voorgoed bijgehaald. Nu de stad in recordtempo aan het leeglopen is gelijk de traanbuizen van hen die daarvoor verantwoordelijk zijn, zie je de vaste bewoners voorzichtigjes uit hun schuilplaatsen kruipen. De gemiddelde leeftijd van de gemiddelde Leuvenaar neemt daardoor per dag met een factor een-punt-drie toe; de bedrijvigheid die dit stadje normaliter zo weet te tekenen, stort dientengevolge als een kaartenhuis in elkaar. Mijn leven blijft echter gehaast van karakter, wordt in die hoedanigheid nu zelfs lichtelijk ongepast – en zulks besef ik mij terdege. Ik heb het perspectief van de rechtlijnigheid nodig, een monumentaal soort van rust waarin de twijfel de overhand mag krijgen. Waarin alles nog altijd verbazing op kan roepen.

Opeens zie ik hem dan weer. Het hoofd van het fragiele, kleine mannetje helt ernstig over naar rechts (voor de kijker links); ‘s mans wandeltempo is er tijdens zijn lange afwezigheid ook niet bepaald op vooruitgegaan. Juist daardoor, omwille van die onbepaaldheid dus, valt hij uitstekend in mijn verwrongen perspectief in te passen. Juist daardoor kan ik de situatie van enkele maanden terug in de herinnering roepen: de ontspanning proeven van zelfbepaalde deadlines, het hervonden plezier in struikelen over Poolse sisklanken en Russische grammaticale uitzonderingen-op-de-uitzonderingen. Van elke 350 euro die ik verdien, geef ik er plotseling nog maar 300 uit. Het zonlicht priemt mijn kamer binnen, teistert ondeugend mijn ogen – wellicht kan een nieuwe, meer omvangrijke computermonitor daartegen beschutting bieden. En waarom ook niet: binnen nu en enkele weken zal ik de meest dwaze apparatuur aanschaffen.

Maar het mooist van allemaal is de vrije tijd. Tijd waarin je stil kan staan bij zaken die er niet echt toe te lijken doen, maar die daardoor juist zoveel invulling kunnen geven aan het leven van een weggekropen Leuvenaar als mijzelf. Het mooist zijn de mentale verpozingen waarin je jezelf afvraagt: “Wie is die oude man in die oude jas?” “Waar komt zo iemand vandaan?” “Waar loopt hij naartoe, en met welk doel?” Geen deadlines. Geen antwoorden; daaraan ook allerminst behoefte. En toch: vragen staat steeds weer vrij, nieuwe raadseltjes hebben mijn eerdere gedachten alweer bijgehaald. Want wat zit er in dat koffertje van die meneer? Of noemt men dat een “aktetas”? Waar heeft hij die hoed ooit gekocht? Werkt hij wellicht als boekhouder bij een melkfabriek; of heeft hij daar ooit gewerkt in die hoedanigheid, maakt het heden hem wijs dat hij elke dag in zijn eigen, aangename verleden is op gestaan? Zou hij dat zélf allemaal nog wel weten?

oudeman

Vaak heb ik op het punt gestaan om naar buiten te lopen, en het hem allemaal op de man af te vragen. Maar daar gaat iets onwaardigs vanuit; een begerigheid die niet past in het straatbeeld van een zelfbenoemde Leuvenaar in diens beschouwing van zijn naamloze stadsgenoot. Eigenlijk is het al ondoenlijk om een foto van zoiets te maken: ik ben geen volleerd fotograaf en de oude man geen bezienswaardigheid. Hij zou plaatsvervangende schaamte voelen mocht hij mij gewaarworden, stuntelend met een digitale camera, pogend het te doen lijken alsof ik foto’s van straten verderop aan het nemen ben. En eigenlijk heb ik ook helemaal geen tijd voor dit soort onzin; er lopen deadlines af, mijn laatste 30 euro zijn zojuist omgezet naar een roodgekleurde vijf. Handgeschreven liefdesbrieven worden enkel met automatische incasso’s beantwoord. Het is allemaal voorgeprogrammeerd, dit verstilde tafereel past nergens in en lost niets op.

Maar ergens weet ik dat ik de oude man in de oude jas niet vaak meer zal zien. Hij wordt te oud voor dit soort onzin; ik ben hard op weg zoals hem te worden, opvulling van het raamwerk van een hoopvolle jongeling die rust vindt in gedachten over iemand als ondergetekende. Dus heb ik dat beeld nodig, die herinnering aan – wie weet, wellicht zelfs weer vooruitzicht op – die vragen waarvan ik mij zelf momenteel geen voorstelling meer kan maken: nu kan het nog. Nu moet het maar. “Klik”. Een vage foto, precies zoals ik dat bedoeld had, bewogen door bewegingsloosheid. Het leven is gehaast, dat is waar: maar uit mijn vastgelegde beeld van de oude man in de oude jas kan het in ieder geval nooit meer ontsnappen. En op één of andere manier maakt mijn berusting weer even plaats voor enige mate van werkelijke rust, een stilstaan in overpeinzingen.

En zo schreef ik dit stukje.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.