Dopjes-symfonieën

cubicleTja, hallo. Daar zijn we weer. ‘Vroeg op’ noch ‘laat aan het inslapen’.

U raadt het al: mijn bioritme is maar weer eens totaal naar de vaantjes. Aldus dwingt schrijver dezes zichzelf momenteel tot een dagelijks bibliotheekbezoek – op die manier vangt men nog enige snippers daglicht op én vindt er toch iets van ‘structurele productiviteit’ plaats. Het is een holistische ervaring, zou je kunnen zeggen: wie goed doet, voelt zich goed en beweegt als zodanig vanzelf met de juiste stroming mee. Zo heb ik dat tijdens het schrijven van mijn boekje gedaan, zo gaat dat nu dan ook weer. Op zich werkt voornoemde methode redelijk: op dit bepaalde moment heeft uw geliefde woordenartiest toch maar mooi drie uur aan reguliere nachtrust achter de kiezen. Dat belooft (‘veel goeds’, moet je in gewoon ‘Nederlands-Nederlands’ daar nog aan toevoegen) – hoewel er toch een kink in de kabel lijkt te zitten die een normaal dagritme mijnerzijds vooralsnog ernstig weet te verstikken.

Want wat blijkt: in een bibliotheek valt het lézen van een boek me zwaarder dan het schríjven ervan. Hoe ironisch en tegenstrijdig, hoe poëtisch maar totaal onpraktisch is dat eigenlijk: jezelf omgeven te weten door honderden en honderden monumentale geschriften, waarvan sommigen smeken om gelezen te worden terwijl anderen liever met rust worden gelaten; maar waarvan geen enkel exemplaar in diens individuele wens tegemoet wordt gekomen. Ik betrapte mezelf erop naar de ruggen van vuistdikke Wetboeken te kijken en naar hun gortdroge inhoud te raden, in plaats van me te concentreren op de relevante materie die me vanaf een glanzend tafelblad leek toe te schreeuwen in duizenden typische volzinnen zoals u die, als (hopelijk) trouwe lezer, ondertussen wel als onderdeel van mijn schrijfstijl zult herkennen.

Voor het geval het nog niet duidelijk was: momenteel zijn we bezig met het editen van die monsterlijke machinatie welke mij de afgelopen maanden heeft weten op te slorpen. Zelf ben ik inmiddels bij ‘Hoofdstuk 10’ aanbeland. Goed. Dat was een leuk hoofdstuk om te schrijven, kan ik mij herinneren. Zo’n typisch geval dat irritatie bij de lezers op gaat roepen omdat het de lijn uit het (dan eindelijk vlot verlopende) verhaal weet te halen omwille van zoiets debiels als ‘karakterontwikkeling’. ‘Irritatie’ impliceert gelukkig wel iets van betrokkenheid en dat is geen slecht teken zolang het je lezerspubliek betreft.
Maar hier en nu (wel: ‘daar en toen’, moet ik hier en nu zeggen) raakt het éénmanslezerspubliek ernstig geïrriteerd door zijn omgeving welke hem het lezen onmogelijk dreigt te maken – en dat is geen gunstige karakterontwikkeling, hoogstens vermakelijk voor fervente lezers van stukjes als dit stukje onbenul.

Oké, Robert. Houd je hoofd er bij. Sluit je af van de buitenwereld, van de bibliotheek om je heen en lees die zin nog eens opnieuw.

Gezien het feit dat tweerichtingsverkeer hier wel degelijk was toegestaan, hing het vooral af van de vooruitziendheid en galante inborst van de diverse weggebruikers om voorbij dit korte strookje asfalt te geraken zonder daarbij lakschade of een lekke band op te doen.

Jeetje, wat een onding van een taalconstructie. En hoofdstuk 10 staat er vól van. Niet alleen hoofdstuk 10, ook. Wie schrijft zoiets? Van wie verwacht zo iemand dat men zoiets gaat lezen? Welnu: vooraleerst toch van zichzelf. En dit is dan het punt waarop de bibliotheek om mij heen tot leven komt in de hoop elke leespoging mijnerzijds in de kiem te smoren.

dopjes

Het zijn niet enkel de geluiden – daar kom ik dadelijk nog op terug, wees niet ongerust. Het zijn ook zaken als ‘kleuren’ en ‘bewegingen’. De rechterhelft van mijn (gedeelde) leestafel bezwijkt bijvoorbeeld bijkans onder het gewicht van een dozijn markeerstiften. De eigenaar van dat veelkleurige boeket aan schrijfmaterieel is overigens niet aanwezig, zal ook pas een dik halfuur later op komen dagen, maar dat deert niet: zijn neonstaafjes springen als vanzelf in mijn gezichtsveld om via die weg allerlei achterlijke, onmogelijk te negeren patronen te vormen. Tweemaal ‘oranje’ doet aan als het gezwier van een militaire marshall die een logge Hercules DC-130 de leesruimte probeert in te lokken; een eenzaam paars exemplaar imiteert een slagader bovenaan mijn rechterarmvlees, onderaan mijn rechteropperhuid. ‘Bonk-bonk-bonk’ gaat die ader onder het toenemend geweld van een geïrriteerd hart tekeer. ‘Robert, jongen: houd je hoofd er nu bij.’

Gezien het feit dat tweerichtingsverkeer hier wel degelijk…

Argh. Hoe lees je zoiets? Ik verschuif mijn laptop een stukje om één en ander vanuit een andere invalshoek te kunnen benaderen; maar de rubberen voetjes onderaan de aluminium HP veroorzaken dermate veel wrijving dat het geheel hoorbaar stotterend slechts een duimdikte verderop strandt. Zodoende begint dan inderdaad ook het omgevingsgeluid op te vallen (eigen schuld, dikke bult).

De leescellen in de bibliotheek der Rechtsgeleerdheid (doordeweeks geopend tot het schappelijke tijdstip van 23u) zijn van elkaar gescheiden door weinig indrukwekkende, halfmanshoge houten wandjes. Die dingen onttrekken weliswaar ‘s andermans felle markeerstifterij grotendeels aan elkaars zicht; maar als geluidsscherm langs de E314 zouden ze binnen een dag ongeveer een half miljoen klachten bij (niet-eens-heel-erg-in-de-)buurtbewoners weten op te roepen. Het komt in dezen dus aan op de discretie der weggebruikers, de bibliotheeklezers – mijn gedroomde lezerspubliek, feitelijk – om elkaar geen lakschade aan te praten. Sommigen van hen vervallen daarbij in dezelfde fout als ikzelf: ze gaan op in elkaars geluid, waarmee ze anderen weer in hun discrete klankentornado lokken, waarmee de cirkel rond is en het vangnet gesloten. Mijn ergernis krijgt een onzichtbaar gezicht nu ik haar silhouet probeer te raden.

Helaas, ja: het zijn vaak ‘dames’ die de langzaamaan verwaterende bibliotheekstilte plegen te doorbreken middels een spraakwaterval aan sisklanken. Dat is het ergste van al: men probéért stil te zijn – maar door te smiespelen, door te fluisteren en te giechelen in plaats van zachtjes te spreken of te lachen snerpen de opvallendste tonen dwars doorheen de houten leescelwanden gelijk vinnige naaldprikjes in eerdergenoemde opperhuid. Eerst heeft die onverwachte vorm van acupunctuur iets vertederends – die lieve meisjes maken lieve grapjes over hun lieve liefjes – maar al snel wordt het domweg vervelend.

gossip

Ontelbare letters ‘s’ zien zich enkel onderbroken door een steeds minder elegant gegrinnik en gehinnik als van verkouden varkentjes; en zo soms vermoedt een paranoïde ziel als de mijne dat de vrouwen aldaar het wellicht over míj hebben. Nee, natuurlijk is dat niet zo: ik ben er niet interessant genoeg voor, gewoon een oude lul die zich verbijt over dit alles middels vele letters ‘t’, afgekapt door een verbitterd stukje tong bovenaan mijn verzilt gehemelte; maar, ja: het heeft wel betrekking op mij, want ik word erdoor afgeleid en mijn werk lijdt eronder … en het was al niet bepaald perfect. Waarom denk je dat ik daar zat? Waarom denk je dat ik hier zit? Waarom denk je dat ‘drie uur nachtrust’ voorlopig het beste is waarop ik kan blijven hopen? Mijn werk spookt door mijn hoofd en maakt me steeds maar wakker.

Nu goed, het heeft ook weer geen zin om er iets van te gaan zeggen, van dat lawaai van die overijverige schoolmeisjes die – middenin hun (Belgische paas)vakantie – gewoon even een stukje ontspanning zoeken; zulks praat ik mijzelf in ieder geval aan in een mengeling van lafheid en realiteitsbesef. Het zou een lawaaierige scene op kunnen leveren waar niemand bij gebaat is, ikzelf nog in het minst (want dan zullen de dames het wél over mij gaan hebben, en dat is als het leegdrinken van een gifbeker voor een paranoïde ziel als de mijne). De stoffige Wetboeken lijkt het ook al niet te deren, die roepen alweer ernstig veel verbeelding bij me op omdat ze al ‘af’ zijn. Die werken kloppen van kop tot staart, van voetnoot tot bovenrug. Mijn werk zit nog vol hiaten en plotgaten, spelfouten en rare hoofdstukken zoals deeltje nummer 10.

… om voorbij dit korte strookje asfalt te geraken zonder daarbij lakschade of een lekke band op te doen.‘ Toch geen onaardige zin.

Het gegiechel en gesmiespel heeft inmiddels bijna iets orgasmisch, alsof er stiekeme seks plaatsvindt in een onafgewerkte visitatiecel die abusievelijk tussenin de gewezen waardigheid van zoiets als een ‘bibliotheek’ geplaatst werd. Die stiekeme seks ontspoort, zoals elke vorm van geslachtsgemeenschap, tot iets dat onmogelijk nog door omstanders te negeren valt. Het lachen doorpriemt zichzelf nu met dat hatelijke gesis als van slangen die het Paradijs tot een soort Sodom en Gomorra om weten vormen. ‘Sssst’, slist een contraproductieve gedachte kortstondig door mijn grijze massa heen.
‘Sssst, Robert. Die slangetjes zijn óók iemands oogappels. Je moet ook niet zo zeuren, eigenlijk: het is ergens best wel grappig. Hm.’ Ik verdwaal alweer in mijn eigen onzin, nu. ‘Raar fenomeen eigenlijk, ‘lachen’. Zou het iemand ooit zijn opgevallen dat de helft van elk gesprek tussen twee of méér mensen uit ‘gelach’ lijkt te bestaan? Fascinerend.’ Dit soort gedachten doet me binnensmonds wel enigszins lachen – maar natuurlijk niet hardop, dat staat zo raar in je eentje. In mijn eentje ben ik ook niet meer, overigens.

Mijn buurman – die van die markers – vleit opzichtig in diens krakende gestoelte neer en doet vervolgens iets typisch Vlaams: hij haalt een enorme fles mineraalwater tevoorschijn (hoewel waarschijnlijk eerder hervuld met doodgewoon kraanwater), draait de dop er resoluut vanaf, heft het geheel tot bijna bovenaan de celwand boven zich uit (en dat in een hoek van nagenoeg negentig graden ten opzichte van zijn achterover gebogen aangezicht), slokt als een uitgedroogd paard in hoorbare klotsen een halve liter van het vocht naar binnen, schroeft dan de dop weer resoluut terug op de fles en plant het ding dan (op bijna agressieve wijze) op het tafelblad … om zich dan terug te wijden aan een veelkleurig onderstrepen van letterlijk vrijwel elke zin binnenin zijn cursusboek. Dat laatste is ook iets typisch Vlaams, vermoed ik. Mijn oog zou in ieder geval enkel nog op de weinig níét-onderstreepte zinnen vallen; maar dat zal dan wel weer typische Hollandse mierenneukerij zijn, mag u vermoeden.

waterflessenHet doet er niet toe. Gék word ik van dat constante gewissel met die stiften. Ik kan mijn doppen ook nauwelijks afhouden van de doppen van de stiften die om de vier, vijf seconden overheen een andere natte punt worden geplaatst teneinde uitdroging te voorkomen. Dat zulks overigens niet altijd naar wens verloopt, blijkt dus uit de aanwezigheid van twee oranje en drie gele exemplaren – geen gezond mens verwacht zulke dingen werkelijk leeg te schrijven vooraleer ze ten prooi aan verdorring zullen vallen … toch?
Zoals gezegd: het doet er niet toe. Heel weinig, zelfs; want blijkbaar hebben de onzichtbare dames achter onze gezamenlijke symbolische schutting tijdens de rentree van mijn buurman hun climaxmoment weten te bereiken (ik hoop dat deze zaken van elkaar los gezien kunnen worden). Voor één moment is er werkelijke stilte waarneembaar en laten zelfs de stoffige Wetboeken in hun stoffige opbergrekken me met rust.

Gezien het feit dat tweerichtingsverkeer hier wel degelijk was toegestaan, hing het vooral af van … ‘
‘Klik-klik.’
‘ … van de vooruitziendheid en galante inborst van de diverse weggebruikers om …’
‘Klik-klik.

En toch weer geklak van mijn tong tegenaan het gehemelte. Hemeltje, wat nu weer?

Mijn buurman dirigeert momenteel een symfonie waarbij de dopjes der markeerstiften op subtiele wijze worden aangevuld door een lichtvoetig snaarinstrument: de springveer die meneers veelkleurige balpen van de éne naar de andere tint doet verspringen – van groen naar blauw naar rood en groen en vast nog iets anders. Hij heeft naast zijn markers dus tevens een alleraardigste klikpen gevonden en schrijft daarmee nu hele notitieblokken vol, zoals ik dat niet zolang geleden ook deed toen ik mij kon concentreren op het schrijven van mijn eigen werkje.
Ja: het schríjven van een boek blijkt voor mij inderdaad eenvoudiger dan het lezen ervan. Point in case: het stukje dat u hier aan het lezen bent, schreef zichzelf al tíjdens mijn strubbelingen in de bibliotheek der Rechtsgeleerdheid. En op dit rare tijdstip van half zeven ‘s morgens, heb ik alle tijd van de wereld om het nog eens rustig te doorlopen. Misschien begin ik nét een beetje moe te worden na dit alles.

Goed: nog heel even terug naar toen, nu. ‘Hoofdstuk 10’, was het. Half elf, ook. De meisjes gaan weer smiespelen en ik geef er de brui aan. Wellicht moeten we ons eerder op de toekomst richten; maar morgen zal het hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn. Mijn bioritme weer op orde te krijgen wordt beslist geen gemakkelijke opgave. Nog 25 hoofdstukken en een epiloog te gaan, jeetje.

Mijn roman heet ‘Af‘, trouwens. De poëtische ironie van een dergelijke titelkeuze laat ik deze keer aan u, mijn trouwe lezerspubliek, over. Ik vind het heel knap dat u helemaal aan het einde van dit onzinverhaal bent aanbeland; wellicht kunt u mijn boek dan ook best waarderen. Geduld moet u wel nog eventjes betrachten; je kunt niet over één nacht ijs gaan bij zoiets als dit, je kunt het ook niet enkel in je eentje vervolledigen.

Gelukkig krijgt deze arme, oude lul kostbare hulp van dierbare vrienden, maar begrijpelijkerwijs hebben ook zíj hun eigen afleidingen om rekening mee te houden – en niet iedereen houdt ervan om een zin als ‘Gezien het feit dat tweerichtingsverkeer hier wel degelijk was toegestaan, hing het vooral af van de vooruitziendheid en galante inborst van de diverse weggebruikers om voorbij dit korte strookje asfalt te geraken zonder daarbij lakschade of een lekke band op te doen’ zes keer te doorlopen. Plak er nog maar een maandje aan vast, hoor.

Of help gerust een handje mee en kom ook eens langs in de bibliotheek der Rechtsgeleerdheid, mocht u in de buurt zijn: het is er best gezellig, er valt genoeg te lachen.

Maar ‘Ssst’, nu. ‘Zzz’, nu.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.