C’était Leu Vie

leuvieDe stad als een metafoor voor het leven: het is een beetje cliché – en met een stad als ‘Leuven’ liggen de stomme woordgrappen daarenboven gevaarlijk vaak voor het oprapen – maar laat ik mijn elitaire masker nu gewoon maar eens afzetten en ook zélf geleuven in hetgeen mijn hart me momenteel ingeeft.

Ja, mijn hart: ik heb het in Leuven teruggevonden, daar waar ik het toch reeds lang verloren had gewaand – en zonder zo’n hart kan men toch moeilijk leven. Vóór Leuven leidde ik ook maar een moeizaam bestaan, eigenlijk – totdat ik in 2010, op stomtoevallige wijze en na jaren van rede- en stedenloosheid, mijzelf verloor in de diepe donkere kijkers van een vreemdsoortig zwart gat op een enorme landkaart. Daar vond ik Rusland, ze sprak me aan; vervolgens begreep ik geen bal van wat ze nou bedoelde en zo verwees ze me naar Leuven, alwaar het redelijk goed Russisch leren is. Ik vond er al snel méér dan aanspraak alleen: ik vond er de meest uitgesproken vriendschappen van mijn leven, zij het met ongehoord jonge jongelingen of met onwaarschijnlijk gelijkwaardige eigenaardigen; en, Godzijdank maar wees vervloekt: ik vond er liefde op het eerste gezicht.

De mens als metafoor voor Leuven: het is nog altijd vrij cliché, maar toch al een beetje persoonlijker dan al het bovenstaande. Het kloppend hart van deze stad is onmiskenbaar de Katholieke Universiteit, een instituut dat ruim de gelegenheid biedt tot het bestuderen van elke Humane Wetenschap die de rest van de wereld rijk kan zijn. Maar het is een bedrieglijk hart, eentje dat al eeuwenlang heeft afgezien, zelfs meerdere malen in brand heeft gestaan en daarbij tot de grond is afgebrand: het herbergt een gewonde en dientengevolge ronduit wrede ziel. Wie zich in dat hart verliest kan bedrogen uitkomen.

Het moet voor Leuven ook wel frustrerend zijn, hoor: de stad lijdt aan een onzichtbare vorm van Alzheimer. Elk jaar lijkt ze steevast haar eigen levenslessen te zijn vergeten, feest ze er op los alsof ze zich bevrijd voelt van álle ballast uit haar nog maar prille verleden. En elk jaar verliezen dus duizenden nieuwe minnaars en minnaressen zich in energieke bloedbanen met ezelsachtige namen als ‘de Tiense’, ‘de Naamse’, of zoiets nodeloos on-onthoudbaars als een ‘Windmolenveldstraat’. Elk jaar, ook – vaak al na één semester – raken velen in deze eeuwig jonge stad beneveld of vergiftigd tot aan het punt van totale desillusie toe.

snowballfightWinter 2010. Het sneeuwt. We zijn zorgeloos. Mijn nieuwe vrienden gooien stervenskoude rotzooi in mijn nek, we gaan massaal op onze bek en vinden het nog allemaal prachtig, ook. De tijd van desillusie loert ongemerkt om de hoek maar is nog nét buiten schootsafstand. Dezer dagen kijken we er allemaal met weemoed op terug – want het geklaag over vocabulairetesten en de wanstaltige kwaliteit van haastig opgehaalde broodjes döner: het valt immers in het niet vergeleken met al hetgeen ons daarna nog te wachten stond. We zouden het achteraf gezien allemaal zó weer opnieuw doen, en precies hetzelfde ook. Ik zou in mijn geval precies eenzelfde liefde ervaren als in dat allereerste semester, mezelf net zo hard kapotwerken om gedaan te krijgen wat me ook – klaarblijkelijk – later nooit zou lukken.

Desillusie: daar is ze dan. Het hart van deze stad maakt een mens wijzer dan men eigenlijk wenst, helaas. En degenen die daarin blijven hangen, die vindt men jaren later terug in tochtige portieken, nabij verlaten trappenhuizen of op versleten parkbankjes: dat zijn de verraden minnaars wier levensbanen elke dag een beetje verder leegbloeden, onopgemerkt, verdoofd door drugs en alcohol, ondergesneeuwd maar in leven gehouden met het wisselgeld van de gelukzalige adolescenten uit het eerste semester van 2010, 2011 of, inmiddels, 2014.

Des te frequenter mijn lichting en haar nakomelingen zich uit de klauwen van dit volhartige monster wisten te ontfutselen, des te meer ontheemd ik mij ben beginnen te voelen in een stad die officieel toch eventjes echt ‘de mijne’ heeft mogen heten. Om te voorkomen dat mijn oprecht verdriet om al die verspilling om zal slaan in een onverantwoorde vorm van bitterheid, is de tijd thans dan ook gekomen om hier weg te gaan – noodgedwongen met stille trom, aangezien er hier weinigen zijn overgebleven die zich het aanvankelijke kabaal nog kunnen herinneren, maar dat doet er niet zoveel toe.

Leuven is simpelweg mijn stad niet meer – en achteraf gezien is ze dat ook nooit geweest, niettegenstaande allerhande paperassen die anderzijds beweren. Die vervelende constatering maakt dat ik háár de laatste maanden meer verwaarloosde dan zij míj wist te vergeten: wellicht zal ze me zelfs nog weleens missen, zo nu en dan. Slechts weinigen blijven écht in Leuven wonen, maar allen van ons laten er een stukje van zichzelf achter. Arm, eeuwig jeugdig Leuven: gelukkig lijdt je toch aan Alzheimer en zal je me snel verwarren met een ander.

Spijt heb ik er niet van, van al die onevenredige liefde die mij hier heeft overvallen. Het heeft me veel opgeleverd. Desillusie biedt de kans tot zelfreflectie; zelfreflectie kan zaken in een relatief kader plaatsen. Steeds minder vaak zwelg ik dan ook in zelfmedelijden; steeds vaker voel ik een vaderlijke compassie voor die arme, wijze, eerste échte liefde die mij tolereerde als één van haar onderdanen, wetende dat ze mij voor duizenden in zou kunnen wisselen eens de tijd zich daarvoor leende. En zulks geschiedde, en ik schreef er twee boeken mee vol; en ik leerde tussen neus en lippen door zowaar nog wat Russisch hier & daar, ook.

Thans mag ik hopen op herstel zonder daarbij de waarde van mijn desillusie te hoeven bagatelliseren. Preciezer: een aantal weken terug wierp ik een blik op de landkaart aan een inmiddels kale kamermuur en herinnerde mij de originele lokroep van vóór oktober 2010. Met pijn in het hart tuurde ik weer het zwarte gat op de enorme landkaart tegemoet, besefte hoezeer de puzzelstukjes op een uiterst vreemde (en eigenlijk onwenselijke) wijze op hun plaats begonnen te vallen. Het verschil tussen het vier-jaar-terug-van-nu en de vier-jaar-later-van-toen valt aanduidbaar sterk op Leuven terug te voeren: de studie, de vrienden, de steun die die vrienden gaven en daarmee terugverdienden.

Eind goed, al goed? Wel: dat valt nog te bezien. De cynicus in mij kan het niet laten om op te merken dat ook een ‘goed’ eind nog altijd ontdaan is van de zorgeloosheid van om het eender welk begin. Ik vind het ook echt jammer dat het zo eindigen moet tussen Leuven en mij. Liever was ik hier vertrokken als gerenommeerd romanschrijver, of als een herboren verloofde – of dan toch ten minste als een geslaagd slavist, iemand die zijn of haar huisvesting in dat zwarte gat op die enorme landkaart ten minste op academische basis kan verklaren. Mijn respect voor degenen die hun studietrajecten en/of loopbanen wél op de voorgeschreven wijze hebben behandeld is onverminderd groot: als ik met die mensen praat is het soms alsof ik mij in het portiek van hun mooie-huis-in-aanbouw begeef. Het is wat vernederend en ik voel me dan ook beschaamd.

emptyroom
Maar c’est Leu vie. Het is voor mij niet anders; en anders had het niet gehoeven, zeg ik nu. Leuven is leeg als mijn kot; mijn hart is leeg als Leuven. Dat maakt niet uit: er is daardoor weer plaats voor duizenden nieuwe minnaars of minnaressen; en bovendien zullen mijn lichting- en leeftijdsgenoten zo nu & dan nog weleens in deze stad samenkomen om terug te denken aan de zorgeloze sneeuw van eind 2010. Tezamen kunnen we ons op die manier nog een leven lang laven in en áán Leuven, haar hart tegen het onze drukken en haar de liefde verklaren die ze – in al haar kinderlijk naïeve wijsheid – zo dood- en doodgraag blijft herbeleuven, niet eens geheel onverdiend.

Inmiddels wordt het tijd om het verstand weer te laten prevaleren en het masker dus toch maar weer op te zetten. Dat klinkt misschien wat gemaakt interessant – wellicht zelfs ‘elitair’ – maar het betreft in dit geval slechts de bruikbare erfenis van een toch wel lichtelijk verkilde, meer pragmatisch ingestelde bovenkamer: in Moskou schijnt het zo soms al tegen het vriespunt aan te hikken en dan helpen alle beetjes, elk masker om dat gewonde hart van mij in leven te houden – en kom: óók om het een beetje in Leuven te houden.

Ze kan het best gebruiken, die arme ziel.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.