Iedereen in Niemandsland

Een waarschuwing vooraf: dit is een verhaal van zo’n 7 A4’tjes lang en het gaat bijna nergens over.

Een ieder mag mij voor gek verklaren en verder scrollen naar een grappig poezenplaatje met een pakkende tekst erop geplakt: dat is iets wat ik zelf ongeveer 10 keer per dag doe, hoor. ‘Wat een gelul’, hoor ik iemand al denken; en die persoon heeft op zijn eigen manier hartstikke gelijk. Neem een dubbele cerveza op mijn gezondheid, ouwe pik!

Maar goed, voor alle overige enkelingen: die lap tekst dan maar. Een nogal tegenstrijdig geval is het, die lap. Het is op het moment van schrijven namelijk uiterst eenzaam binnenin mijn bovenkamer en dat ben ik niet gewend. De éne na de andere pompeuze stilistische oprisping probeert zich momenteel via het denkraam binnenin die bovenkamer eenweg naar de buitenwereld te worstelen om dan uiteindelijk – geheel tegen de traditie in – een anonieme dood te sterven op het puntje van mijn verstomde tong. Op het moment van spreken lijkt het me een raadsel hoe ik ooit nog één enkel A4’tje volgebruld zal kunnen krijgen.

mh17vlag

Want, nee: dagen als deze lenen zich nietvoor vragen over interpunctie of neerbuigendheden omtrent incorrect ‘dt’-gebruik. Dagen als deze vormen tezamen een ellendig lang weekend waarin duizenden losse zinsdeeltjes elkaar ononderbroken naar het leven staan. Het is een tijd vervuld van anglistische punchlines en dramatische denkpauzes. Het is een tijd van stukjes tekst die net zoveel met zichzélf vechten als met de toehoorders ervan. Een tijd van herhaling is het, van terugkerende woordgroepen en uitgekauwde oneliners: van al die losse zinsdeeltjes dus, elke keer gevolgd door een nieuw punt gevolgd door een nieuwe punt. En nog een punt, en nóg één. ‘Moe’ zou je ervan worden – en ‘moe’ wordt ook dat stukje tekst zélf: het schijnt zich maar geen fatsoenlijk einde toe te kunnen bedelen…

Voor de mensen om me heen moet het ongetwijfeld als een opluchting aanvoelen, die onuitgesproken leegte binnenin mijn bovenkamer. Mij behoort normaliter immers een bijzonder soort cynisme dat vaak nauwelijks te beteugelen lijkt: dit tot verveling van velen inclusief mijzelf, want hoewel ik een grage prater ben komt er soms geen zinnig woord uit die schreeuwerige Hollandse bakkes van mij. Het mag slechts een schrale troost heten dat al die verbale wegwerpgebaren, die halfbakken zelfspot en gespeelde desinteresse gezamenlijk nog geen schim vormen van het bijtend soort sarcasme dat ik met bloedrode halen als een rode (prikkel)draad doorheen mijn adolescentie wist te rijgen.

God, daar ga ik weer. Daar verval ik weer in intense metaforen die geen mens nu echt wil horen; zwijmel ik in rijmpjes en gaat zo alles weer verloren. Cynisch herinner ik mijzelf eraan dat het er de tijd niet naar is om ellenlange epistels over de twijfels van een schrijver die worstelt met het onbeschrijfelijke het internet op te slingeren. Hup, Robert: doe iedereen een plezier en vlucht je eigen bovenkamer uit voordat je vervalt in een goedkoop stijlfiguur als ‘alliteraire zelfcorrectie’. Probeer – nu driekwart van om het eender welk lezerspubliek reeds lang is afgehaakt – liever eindelijk eens concreet te worden. Let’s get down to business. Waarom is het toch zo eenzaam binnenin die bovenkamer?

ventilatorWelnu: het zal ongetwijfeld iets te maken hebben met de tropische temperaturen van de afgelopen week. Ik woon in een soort van bezemkast met een verlaagd plafond. Dat laatste heeft zo z’n voordelen: op een gegeven moment gaat elke opstanding gepaard met een lichte jeuk bovenaan ‘s mens kruin; en door die ontmoeting van te lage bovenmuur en te hoog borstelhaar weet je dus dat de tijd gekomen is voor een bezoekje aan de kapper.

Maar het heeft ook nadelen, dat lage plafond. De zomerhitte kruipt hier genadeloos door elke naad & kier van mijn bezemkast heen en blijft omwille van die lage bovenwand vervolgens als een ongenode gast op elke denkbare ooghoogte hangen; dit net zolang tot je er compleet zot van wordt. Mijn fris geschoren kruin jeukt deze keer dus enkel omwille van wild gutsend zweet – maar een airco kan ik niet betalen en mijn ventilator blaast, in ruil voor een hoop metaalachtige takkenherrie, met elke ademteug enkel méér en méér warme lucht de kamer in. Je wordt bedankt, Blokker: ik zal nog eens iets bij jullie kopen dat er leuk en enigszins betaalbaar uitziet. Een rare bijgedachte overvalt me plots: de garantie op die ventilator is allang verlopen, maar het bonnetje weet ik nog precies te liggen.

‘Bonnetje’. Da’s een typisch ‘Hollands’ woord. En ‘Hollands’: da’s een typisch Vlaamse vorm van cynisme waarmee windbuilen zoals ikzelf van tijd tot tijd doorprikt worden.

Overigens vraagt men hier vaker of ik ‘van Nederland ben’ dan zoiets als ‘U bent Hollander?’, en hanteert men daarbij boven alles hardnekkig de beleefdheidsvorm: allen voor onszelf vormen wij één groot ‘U’ in mijn lieflijk Belgisch-Brabant. Pardon: Vlááms-Brabant. Het alliteraire bloed kruipt waar het niet gaan kan, zo blijkt maar weer. Terug naar het concrete verleden dan maar snel.

Meneer, mogen wij u iets vragen?‘, stapt een tweetal keurig ongeschoren jongemannen op mij af. Ik ben zojuist de ondraaglijke hitte van mijn helse bezemkast ontvlucht en loop naar een bestemming die zelfs aan mijzelf nog onbekend is.

Zeg het eens‘, zeg ik daarop. Hoewel mijn accent na doorkruising van half Nederland inmiddels ‘neutraal’ mag heten, is het natuurlijk nog altijd een ‘accent’ – en het vervolg van dit gesprekje laat zich dan ook gemakkelijk raden.

Ah, u bent van Nederland?
Dat heeft u goed gehoord.‘ (Ik woon al elf jaar in België en zeg dus meestal netjes ‘u’.)

Jongeman 1 vangt weinig met deze informatie aan. Hij vraagt: ‘Weet u misschien een internetcafé te liggen?‘; waarop jongeman 2 hem aanvult: ‘Op de Tiense, dan.

Mijn uitstekende geografische kennis van het stedenbouwkundige fenomeen ‘Leuven’ ligt blijkbaar net zozeer op apegapen als al die andere ingeslapen gedachten binnenin mijn bovenkamer. De jongens kijken elkaar bedenkelijk aan en verduidelijken, komisch simultaan, hun eerdere vraagstelling.

De Tiensestráát, bedoelen we.

Wij staan reeds gedrieën op die Tiensestraat, zo’n driehonderd meter van mijn bezemkast vandaan. (Ik woon al bijna vier jaar in deze stad maar laat na dat hardop uit te spreken.) Langzaamaan begint me iets te dagen van een gemeenschappelijke computerruimte, een goede vierhonderd meter verderop. Ik wijs in de juiste richting maar de grijze massa werkt nog altijd niet naar behoren.

Dat is ergens… daar, in de …‘, stamel ik.
Op de Maria Theresia, bedoelt u.

Ja, ja, wijsneus, denk ik even. Pas later op de dag besef ik dat het de Andreas Vesaliusstraat is: weliswaar een verlengde van de Maria Theresiastraat, maar als Hollander heb je graag het laatste woord – zelfs als je uren later enkel nog tegen jezelf aan het lullen bent.

Het maakt ook niets uit want momenteel kijken de jongens zeer beteuterd naar elkaar. Die computerruimte ligt te ver van hun route af en de tijd begint blijkbaar te dringen. Ze staan op het punt me halfhartig te bedanken en zetten hun eerste schreden richting de schandpaal van geslachtspartnerlijk falen – zoals opgericht door hun hongerige vriendinnetjes die zeshonderd meter verderop in een alleraardigst restaurantje zitten te wachten –, maar zo makkelijk (moeilijk?) komen ze er natuurlijk niet vanaf. Als Hollander heb je graag het laatste woord.

Waarvoor hebben jullie eigenlijk een internetcafé nodig? Heb je geen smartphone?

(Ik woon al elf jaar in België en ze beginnen hier toch steeds vaker ‘je’ en ‘jullie’ te zeggen, is me opgevallen.)

Ze hebben inderdaad geen smartphone.

Om een wildgroei aan ‘tussen-haakjes’ te voorkomen vermeld ik dit gewoon ronduit: voor elke Nederlander met een smartphone lijken nog altijd er twee Belgen met een aftandse Nokia uit het jaar 0 rond te lopen. Nu zijn er meer Nederlanders dan Belgen en gaat de batterij van een aftandse Nokia ongeveer tien keer zolang mee als die van de gemiddelde smartphone, dus wie hier de slimmerik en wie de dommerik is mag ieder voor zich bepalen; maar ik wilde het toch even gezegd hebben. Zelf heb ik een smartphone uit jaar 0 welke het slechtste van beide werelden combineert.

hond-met-mosselenWe moeten enkel een GroupOn-coupon uitprinten.
Komisch woord, GroupOn-coupon.

Jammer van die beklemtoonde ‘O’, nét voor het midden, maar toch een gniffel waard. Van een internetcafé op de Tiense heb ik geen weet en om er nog een schepje desillusie bovenop te gooien zeg ik:

Trouwens, het is zondag, hè. Ik denk dat dat café sowieso niet open zou zijn geweest, áls je het al had kunnen vinden.

Kom, kom, Robert: niet zo cynisch. Deze beleefde jongens hebben lieflijke vriendinnen die al drie kwartier aan het wachten zijn op een goedkope pan mosselen en één of ander gratis slap dessert. Doe maar net of je ze begrijpt.

Maar je mag het wel bij mij uitprinten, hoor. Ik woon hier feitelijk om de hoek.

Nu ben ik dus op stap met twee Vlaamse mid-twintigers, tezamen drie keer zo breed als ondergetekende en maatschappelijk gesproken waarschijnlijk ook al honderdmaal beter geslaagd. Voor een praatzieke Hollander kan een wandeling van 300 meter er dan één vol zelfgegraven valkuilen blijken, maar gelukkig blijven de Vlamingen in kwestie stereotiep verbaasd over al mijn stomme vragen en opmerkingen, zodat de conversatie keer op keer verzandt in een suffig ‘we zijn er bijna, hoor‘.

We zijn er bijna, hoor. Ik woon in dat straatje, daar om de hoek. Maar ik moet jullie wel waarschuwen: het is onmenselijk warm, daarbinnen.

Veel warmer dan hierbuiten kan het toch niet zijn,‘ grapt er één. Het lachen zal hem weldra gegarandeerd vergaan, de arme knaap; nog honderd meter lang mag hij genieten van de dertig graden die mij even voorheen nog als een heuse vrieskou hadden aangedaan.

U studeert nog?‘, vraagt hij op z’n semi-Hollands.

Deze keer ben ik eens degene die wat achterdochtig reageert. Dit is namelijk zo’n vraag die ik voor mezelf inmiddels naar de categorie ‘neteligheden’ heb verbannen. In dat bepaalde archief van mijn geweten huizen tevens vragen als ‘Waar kom je vandaan?‘ (‘Overal en nergens‘, gevolgd door een diepe zucht en eventueel een verdere uitleg), ‘Wat deed u voordat u naar Leuven kwam?‘ (het antwoord daarop ken ik zelf nauwelijks, maar het staat een ieder vrij mijn tijdlijn af te struinen op zoek naar aanwijzingen) en ‘Hoeveel rijexamens heb je afgelegd‘ (‘Eigenlijk had ik de tweede keer al geslaagd moeten zijn, maar de examinator was een enorme lulhannes‘).

[N.B: Mijn derde rij-examinator was de vriendelijkste persoon op aarde, maar zelfs híj ging niet akkoord met het tegen de rijrichting in afrijden van een snelweg-oprit (een vrij ingewikkelde taalconstructie, ik geef het onmiddellijk toe). De rest van het verhaal is vrij komisch maar zal ik dan ook maar bewaren voor een volgende keer.]

Of ik nog studeer? Goh. Ja, nou, nee. Ik ben een jaartje op zoek gegaan naar werk, maar dat ging niet zo vlot dus denk ik erover om volgend jaar (collegejaar, red.) mijn studie weer op te pikken. Slavistiek.‘ ‘Iets met Rusland‘, voeg ik daar eigenlijk bijna altijd volautomatisch een vage verduidelijking aan toe.

De Belgen, tevreden ambtenaar in het Brussels gewest enerzijds, en beloftevol laborant in het Gasthuisbergziekenhuis anderzijds, kijken elkaar in mijn passief-defensieve gedachten meesmuilend aan.
Je zou denken dat daar nauwelijks werk mee te krijgen valt,‘ pareer ik ongevraagd mijn eigen paranoia, ‘maar tegenwoordig is het plots weer een heel relevante studie aan het worden. Als ze eenmaal 190 van je landgenoten uit de lucht gaan schieten, dan zal er toch zeker behoefte zijn aan mensen die de taal en de cultuur van beide kanten begrijpen.

De reden van de eenzaamheid binnenin mijn bovenkamer heeft plotsklaps onuitgesproken een naam gekregen: ‘MH17‘.’

Oprecht geïnteresseerd informeert de laborant aan mijn rechterzijde naar de juistheid van het aantal Nederlandse doden op vlucht MH17 naar Kuala Lumpur. Wellicht vermoedt hij een stereotiepe Hollandse overdrijving, of wellicht begint hij al nattigheid te voelen bij het aanschouwen van de glazen broeikas waarachter mijn bezemkast onheilspellend gelegen gaat. De huidige mannenmode schrijft blijkbaar strakke diepgrijze T-shirts voor die biceps, triceps en pecs net zo genadeloos blootleggen als een overschot aan penetrante lichaamsgeur, welke in die zelfverkozen dwangbuis immers geen kant op kan. Hoe het ook zij: de zaak lijkt ons allen te stinken.

190 Holl… eh, Nederlanders? Amai. Amai, zeg.

193, om precies te zijn.

De laatste keer dat mijn Vlaamse bodyguards een update over het aantal bodybags hadden vernomen stond de teller nog op ‘154 Holl… eh, Nederlanders‘, zo blijkt. Men heeft het nieuws gevolgd en men weet dat er ook vier Belgen bij deze vliegramp zijn omgekomen. Dát wist ík dan weer niet precies: ik twijfelde tussen ‘4’ en ‘5’.

Zo zie je maar: uiteindelijk is het hemd je nader dan de rok, hoopte je vuriger op een finale tussen Nederland en Duitsland dan op een halve finale tussen Oranje en de Rode Duivels. Dan herinner je je even de crash van een Concorde vól met Duitsers en de respectloze grapjes die je al binnen een paar uur na dat ongeval op het strand van Zoutelande (vól met Duitsers) de wereld in meende te moeten slingeren. Dat was in het jaar 2000: zo’n zeldzaam jaar waarin ‘Die Mannschaft’ er al in de groepsfase van het EK uitgeknikkerd werd – hetzelfde EK voetbal dat door België & Nederland georganiseerd werd en waarin laatstgenoemd prutlandje, na haar meest traumatiserende penaltyserie óóit, in de halve finale werd uitgeschakeld door…

mh17mapAch, het doet er allemaal niet toe. Ik zou er eindeloos over door kunnen oreren, maar met vlucht MH17 van Amsterdam Schiphol naar Kuala Lumpur zou het bitter weinig te maken hebben. Hetgeen daar in de lucht boven de zelfbenoemde Volksrepubliek Donetsk gebeurd moet zijn tart elke beschrijving. Ja: ‘Hollanders’ zijn praatziek van nature. We hebben overal een mening over – niet per se een slecht iets, naar mijn mening – en raken dientengevolge dan ook niet uitgepraat over de situatie die 193 van onze landgenoten is deelgevallen.

En, oh ja, laat ons die andere honderd-nog-wat slachtoffers niet vergeten. Die 4 of 5 Belgen, bijvoorbeeld. Of er een Amerikaan in dat toestel zat? Een goede vraag, eigenlijk. Vergeef me die ogenschijnlijk cynische onverschilligheid: ze is ons Nederlanders eigen – maar ons ‘eigen’ zijn nu ook die 193 levenlozen die we allen op één of andere manier wel lijken te kennen, of tenminste te kúnnen kennen. Niets menselijks is ons vreemd: we zijn een land van verliezers en dat is hetgeen ons nu waarlijk bindt.

Op de één of andere manier moet al hetgeen ik schrijf via enorme ellipsen in een alomvattende draconische moraal uitmonden. Het is er nu niet de tijd naar om in die geest te schrijven, echter. Het is de tijd van MH17, of beter, preciezer: van #MH17. Van korter dan kort, van nieuwser dan nieuws. We drukken het weg of we diepen het uit. Volgende week zullen we het vast wel weer spuug- en spuugzat zijn, allemaal, als we ergens op het strand met onze snikkels in de volle zon liggen te krioelen.

Een mens wordt in de regel echter pas misselijk als hij of zij teveel gegeten heeft: we vreten momenteel elke update nog altijd op als hyena’s in een veld vol lijken, zonder dat het echt ergens hypocriet wordt: we lachen deze keer niet uit leedvermaak maar omdat het in onze volksaard verweven zit als een vorm van hopeloosheid, blijkbaar. Nu de ellende uit de boze buitenwereld – waar wij toch geen donder mee te maken zouden moeten hebben – ons volkomen onverwacht om de oren slaat, zijn we naïef stomverbaasd en oprecht verontwaardigd; en zelfs onze gebruikelijke nieuwsgierigheid draagt een oormerk van goede wil, dezer dagen.

Uit al het gebeurde (en nog gebeurende) is gebleken hoe onbetekenend een mensenleven kan zijn wanneer het uit een onbetekenend land als het onze vandaan komt. Het zou inderdaad ‘lachwekkend’ mogen heten als het allemaal niet zo in- en intriest was geweest. Nederland leert zichzelf momenteel kennen zoals een Belg haar soms beziet; en wellicht leert België Nederland wat meer te waarderen omwille van die (weliswaar chaotische) zelfreflectie van de afgelopen dagen. De tijd zal het leren.

Het zomerse Leuven is een spookstad. Het is soms alsof er slechts 4 of 5 verdwaalde Belgen wonen, en die zijn dan allemaal nog bezig met het leegvreten van een éxtra goedkope pan Zeeuwse mosselen, ook. Van de Volksrepubliek Donetsk hebben ze misschien nog nooit gehoord.

Van wáár bent u van Nederland?‘ ( – Dit is een geldige zinsconstructie in het Vlaams – )

Goh. Van overal en nergens, eigenlijk. Mijn ouders komen uit Zeeland.

Om oninteressante redenen staan er in mijn bezemkast twee printers op elkaar gestapeld. Eén ervan begint, na wat geklooi met een Gmail-account en een nukkige webbrowser, keurig de gewenste GroupOn-coupon uit te spugen. De vriendin van de Gasthuisberg-laborant wordt met de aftandse Nokia-telefoon opgebeld: ze mag alvast beginnen met het voorafje te bestellen. Grappig, denk ik bij mijzelf. Als het Nederlanders waren geweest dan waren ze ondertussen ongetwijfeld al bij het dessert aanbeland.
De coupon wordt netjes opgevouwen. De beide heren ongeschoren Vlamingen weten van gekkigheid niet hoe snel ze moeten ontsnappen uit die uitvergrote pizzaoven-met-ingebouwd-toilet waarin ik over enkele uren de slaap zal moeten zien te vatten. Zélf wil ik natuurlijk ook niets liever dan de straat weer op, terug naar de zaligheid van dertig graden en een onbestemde wandeling die het hoofd wat leger kan maken.

Pas bij het weggaan valt de enorme landkaart van het enorme land ‘Rusland’ – een zeer gewaardeerd geschenk van mijn favoriete Russofiel – mijn éénmalige gasten in het oog. Geen idee of ze weten dat het ding al door de waarheid achterhaald is omdat de Krim daarop nog ‘Oekraïens’ mag heten. Then again: geen idee wat een vandaag geüpdatete kaart volgende week nog waard is. Het balletje kan raar rollen. Mijn Russische vlaggetje – een zeer gewaardeerd geschenk van mijn favoriete Russofiel – heb ik twee dagen eerder al halfstok gehangen. Ik weet niet zo goed wat ik van Rusland moet denken, momenteel.

Even overweeg ik mijn smartphone thuis te laten – van al die updates omtrent #MH17 wordt een mens niets wijzer, eigenlijk. Weldra zal er een informatiearmoede optreden die als een vacuüm voor allerhande complottheoristen zal dienen. Daar wil ik op deze achterlijk hete zondag eventjes niet over nadenken. De Belgische GroupOn-coupon-uitprinters kijken me beleefd edoch wat ongemakkelijk aan: ze willen begrijpelijkerwijs snel weer op pad en snappen waarschijnlijk ook niet zo goed waarom ik hen daar per se bij zou moeten vergezellen. Dus neem ik tóch mijn smartphone maar mee, zodat ik daar wat onbestemd mee kan prutsen tot aan de kruising van de Maria Theresiastraat/Andreas Vesaliusstraat en de Tiense. Daar geven we mekaar netjes een hand en gaan elk onze eigen weg, om elkaar vervolgens op een volgende kruising weer tegen het ongemakkelijke lijf te lopen en net te doen alsof we elkaar nog nooit gezien hebben. Dat verhaal is in ieder geval afgerond.

Maar mijn God: er valt nog zoveel te schrijven. Er valt nog zoveel te lezen en te leren, maar het lijkt alsof alles al gezegd is nog vóórdat alles goed en wel gedocumenteerd kan worden. En dáárom is het dus eenzaam in mijn bovenkamer: ik kan de woorden voor dit alles niet vinden en voel me tegelijkertijd ernstig ongehoord. Het is de reden waarom ik eventjes niet zo spraakzaam ben op chatboxen en aanverwante taferelen: er zit teveel spraakzaamheid in mij opgesloten, en het zou uren en uren kosten om al die ongebreidelde onzin enige sturing te kunnen geven – en dat kán niet. Niet nu. Niet in dit tijdperk van korte zinsdeeltjes. Van zinnen die vanuit het niets beginnen. Van dramatische pauzes, van herhalingen van punten en punten.


 

Goed. Ik weet niet of iemand dit stuk tot nu toe van kop tot staart gelezen heeft, maar ik ben erg blij dat ik het tot aan dit punt heb weten te voltooien. Het heeft me doen beseffen dat ik inderdaad nog veel te zeggen heb; en dat het misschien wel ‘geluk’ mag heten dat er zoiets als het schrijverschap bestaat, aangezien je daar iets mee kán doen als je het ook wíl doen. Feitelijk heb ik met het bovenstaande helemaal niets anders gedaan dan het omslachtig beschrijven van een leeg gevoel… en dat voelt goed, want het moest nu eenmaal gebeuren. Wat dat betreft lijkt dít bepaalde stukje van dit immense verhaal ook naar behoren afgerond.

Stiekem kijk ik dan ook vooruit – ten eerste naar de enorme landkaart van Rusland die voor mijn neus hangt, ten tweede naar het mogelijke vervolg van de studie die toch ten grondslag aan die bepaalde wanddecoratie moet hebben gelegen. Stiekem, tevens, pak ik nog wat nieuwsupdates mee en kan een groot gevoel van respect voor mensen zoals Jeroen Akkermans en Olaf Koens niet onderdrukken.

Eerstgenoemde is al jarenlang reporter voor het (Nederlandse) RTL-nieuws en heeft al aan de lijve ondervonden hoe Rusland met ons onbetekenende thuislandje om kan gaan in zaken als deze: zijn collega Stan Storimans vond ongelukkigerwijs de dood tijdens het Russisch-Georgische conflict van 2004. ‘Clustermunitie’, zo mocht hij ervaren. ‘Geen idee’, verklaarde de Russische staat. Ondanks diplomatieke druk van Koninkrijks wege beschouwt het Kremlin de zaak thans als ‘afgerond’. Ja: zo kan het dus ook, een verhaal afsluiten. Je zou er moedeloos van worden. En toch, negen jaar later, heeft Akkermans de afgelopen dagen op uiterst zorgvuldige wijze de rampplek waar #MH17 is neergekomen weten te documenteren. Je moet doen wat je kan doen met de middelen die je voorhanden liggen, en dat doet hij ook. Bovendien is het ook nog eens een uitermate geschikte peer op Twitter (@JeroenAkkermans, voor de geïnteresseerden).

Die andere snuiter die ik zojuist genoemd heb, Olaf Koens, heeft een tijdje terug een lezing op de KU Leuven verzorgd. Hij kwam toen op mij over als een uiterst relativerende (welhaast ‘cynische’) jongeman met een goed gevoel voor humor en een flinke dosis realiteitsbesef; want ondanks dat wij Nederlanders maar een onbetekenend prutvolkje zijn, is ons paspoort blijkbaar wel degelijk goud waard. Om die reden durft Olaf zich op anderzijds debiel-gevaarlijke plaatsen als Dagestan en nu dus Oost-Oekraïne te begeven. ‘Je krijgt af en toe wat klappen en je wordt zo soms ontvoerd, maar je paspoort lost alles op’, vertelde hij droogjes tijdens zijn lezing. Helemaal bizar was het om kennis te nemen van het feit dat deze kerel nauwelijks Russisch sprak bij aanvang van zijn correspondentschap in Moskou. ‘Dat leer je vanzelf snel genoeg’, zei hij toen droogkomisch.

koens

Koens – godbetert geboren in Frankrijk – heeft dus eigenlijk een vorm van werkgelegenheid weten te scheppen vanuit een situatie die géén uit miljoenen Nederlanders of Belgen daarvóór had durven aan te grijpen; hij sprong in het diepe en slaagde erin zijn ambities waar te maken. Deze man is vijf jaar jonger dan ik. Hij heeft gedaan wat hij kon – méér zelfs. Afgelopen weekend kampeerde hij in een tentje tussen de ontzielde lichamen van zijn neergehaalde landgenoten, ergens in een boerenweide in een oorlogsgebied vol met triggerhappy idioten die lak hebben aan onze arrogante opvattingen aangaande ‘moraal’ en ‘ethiek’. Dan bekijk ik dat eens een aantal seconden, bezie dat in termen van ‘kansen’ & ‘mogelijkheden’ en weet dan van mezelf dat ik daar ook had kunnen staan, misschien zelfs wel had móéten staan. Wellicht verklaart ook dát enigszins de eenzaamheid in mijn oververhitte bovenkamer. Misschien voel ik mijzelf zelfs door mezelf in de steek gelaten, of zoiets.

Goed, dat laatste terzijde: deze lap tekst is uiteindelijk toch nog behoorlijk concreet geworden, Godzijdank. Ergens moet het natuurlijk ook wel ophouden – dit stuk is al véél te lang en ik ben zelf ook véél te vermoeid om er nog enige mate van kwaliteitscontrole op uit te kunnen blijven oefenen.

(Ik luister overigens al 7 uur lang naar iets dat ‘Thunderstorm and Rain Sounds over the Ocean, 10 hours’ heet, hetgeen een verbazingwekkend prettige/LSD-achtige uitwerking op mijn productiviteit als schrijver blijkt te hebben).

Mijn volgende streven is om de berichtgeving omtrent #MH17 wat beter te kunnen duiden; om te kunnen begrijpen hoe een mens kan verzinnen dat MH17 in werkelijkheid de eerder vermiste MH370-vlucht is, bijvoorbeeld. Dat die vermiste MH370-Boeing vervolgens met de lichamen van niet-bestaande Nederlanders is opgevuld en toen boven Donetsk tot ontploffing is gebracht. Hoe zulke theorieën in vredesnaam méér en méér aanhang weten te vergaren naarmate het ‘echte’ nieuws begint op te drogen: dat lijkt me een interessant onderwerp – zo niet voor de buitenstaander, voor die enkele lezer(es) die zich werkelijk door deze enorme kluwen van rotzooi heen heeft weten te banen, dan toch zeker gewoonweg voor mezelf. Voor mijn eigen stomme ik, met mijn eigen stomme meninkje.

Want, tegen wil en dank: je blijft toch ‘Hollander’. En je moet doen wat je kán doen. Punt. Punt, ja.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.