Rij 11, stoel b

Het is een irrationele angst. Vliegtuigen storten in mijn belevingswereld onherroepelijk neer – het is een kwestie van statistieken, van transmuterende cellen die elkaar verwarren totdat een essentieel onderdeel in de kern wordt geraakt en de hele boel als een kaartenhuis op zichzelf ineenstort. Tonnen van staal zullen steeds op zoek gaan naar hun oorsprong – een beginsel dat ooit diep in de aarde verborgen ging, een geboorte van ingeslapen mineralen die met de minuut middels een gewelddadige dood bestendigd zal worden. Tonnen van staal horen absoluut niet in ons onmetelijke luchtruim thuis, kilometers boven de hoofden van mensen die simpele concepten als medemenselijkheid en inlevingsvermogen niet eens kunnen vatten. En wij horen dus ook niet in die tonnen staal thuis. Waar we wel thuishoren, wel – dat leert ons de ondergang, de onvermijdelijkheid.

Mathematisch gezien mag het allemaal misschien prima kloppen, dat reizen van punt A naar uitroepteken X. De knapste koppen hebben geleerd van de fouten van hun voorgangers en stroomlijnen aangepast, de kleinste onderdelen van elk vliegtuig vervangen door tienduizenden kleinere onderdelen. Ze hebben ons minder afhankelijk gemaakt van de grote gehelen in een leven dat zich inmiddels halverwege de stratosfeer afspeelt. Maar die grote gehelen zijn nu juist van vitaal belang: er is meer tussen hemel en aard. Dat schemergebied is een breking van dimensies, waarin plaats en tijd van positie wisselen om dan in gedachten op te flakkeren, in onverstaanbare of onbegrijpelijke aaneenschakelingen van woorden naar buiten treden. Zoekend naar de zin van de menselijke waardigheid, zich welbewust van het aanstaande verlies van ons bewustzijn – zo spelen schaapachtige strepen in de lucht spelletjes met ons voorstellingsvermogen. Totdat de streep zichzelf in een onnatuurlijke hoek van 90 graden ombuigt en daarna als een stervend herfstblad zijn eigen staart probeert op te eten.

Er is bedenktijd tussen het moment waarop het neerstorten begint en de onherroepelijkheid van de inslag waarin ook wijzelf tot tienduizenden onderdelen worden gereduceerd. Tussen Punt A en uitroepteken X ligt een gapend gat vol opgekropte komma’s, die enkel via het proces van een aanstaande ondergang naar de voorgrond worden gedrongen. Het zijn de bijzinnen in ons leven waarvoor we ons normaliter misschien zouden schamen; tevens de essenties die datzelfde leven telkens bijeen hebben weten te houden door middel van een op een het oog overbodig werkwoord, een uitgekauwde volzin die overloopt van pretenties maar goed van inborst is. Soms zijn weinig woorden nu eenmaal niet genoeg om dit alles te kunnen omschrijven. Soms durf je te denken aan scenario’s waarin enkel die tonnen staal terug naar de oorsprong gaan; waarin jij jezelf daarna verder kunt ontplooien in een wolk van tienduizenden opwellingen van medemenselijkheid. Soms tref je iemand in je vliegtuig aan die het ingecalculeerde neerstorten tot een dragelijke belevenis maakt. Stel jezelf zo iemand eens voor… en denk je eens in, wat zij nu wel niet van dit alles moet denken!

Maar laten we teruggaan naar het begin. Wel: laten we teruggaan naar het inwijdingsritueel waarin ons aangenomen einde zich wist te hullen, ten tijde van het ontvlammen van linker-motor nummer 2. Laat ons even van die eerste schrikreactie bekomen, een grap vermoeden; laat onze onwetendheid op aeronautisch vlak eens rustig tot ons doordringen vooraleer we een heldergele vonkenregen zien vechten met een gitzwarte walm – dit alles door het vettige raampje dat uitkijkt op een ijselijk-blauwe achtergrond die ons plots de hoofdrollen in een onwerkelijk schouwspel heeft toegewezen. En laat ons die blikken naar buiten gebruiken om ons eerst af te vragen: “Wat zou men daarbuiten nu van ons denken?”.

Het Grote Opsommen begint – we kijken terug op onze levens, naar de tijden waarin we als kind vliegtuigen uit de lucht probeerden te halen door de ogen stijf op elkaar te knijpen en ons inlevingsvermogen tot de huidige stand van zaken te bewegen. We vervloeken al de kinderen die zojuist hetzelfde deden en wél hun zin kregen. Maar we vergeven diezelfde kinderen net zo gemakkelijk en snel, want we weten dat hun bedoelingen puur en onpersoonlijk waren. Kinderen gaan het voorstellingsvermogen van de knapste koppen steeds te boven – kinderen weten dat tonnen staal niet in de lucht thuishoren. Daarna vervloeken we onszelf omwille van het vrijwillig verlaten van de kindertijd, om het slaafs plaatsnemen in een gevaarte dat (weliswaar in verschillende tempo’s) de onherroepelijkheid van dit moment steeds naderbij heeft gebracht.

We krijgen medelijden met onszelf om zoveel zelfhaat en we schreeuwen, we zweten en huilen. Niemand hoort een ander, alles draait om onszelf en ook het toestel begint te tollen om zijn eigen as. Dit zijn de verrukkelijke seconden van chaos, de ontstaansgeschiedenis van het Einde der Tijden waarin kop noch staart valt te ontwaren. Slechts de vuile rook en de hatelijke stralen kerosine sproeien als substituutgedachten door de motor van onze gedachtewereld heen. Al het georganiseerde der mensheid verdwijnt in een zee van ingecalculeerde onbeholpenheid: voedselkarretjes stuiteren over ingebeelde gangpaden onderaan de bovenkant van deze stervende zwaan, zuurstofmaskers dansen dodelijke tango’s in een verstikkende zucht naar verlichting; de verlichting onderaan de bagagerekken simuleert de effecten van een stroboscoop; koffers flitsen vanonder opengesperde muilen hun eigen ondergang tegemoet en raken daar de hoofden van mensen die eindelijk voelen dat ze leven.

Het is meestal het snerpende geluid van een zuigeling dat de chaos weet te doorbreken. Het is die krakende witte ruis, gecombineerd met de duur van het neerstorten, die de nuchterheid in ons denken terug doet ontwaken. We leggen ons nu niet langer neer bij onze angst, gaan op zoek naar onszelf middels de aanwezigheid van anderen. Anderen, zoals de piloten in hun onzichtbare stuurhut, die als dronken matrozen tegen de bierkaai vechten om telkens weer tegen de grond te worden gesmeten.

We ervaren opflakkeringen van hoop in elk toevallig moment van statistische juistheid die het vliegtuig lijkt te ondergaan: zo nu en dan lijkt de vrije val onderdeel van een regulier landingstraject. Af en toe priemt zich een warme zonnestraal tussen de vonkenregen en het steenachtig soort braaksel door, kunnen we een blik naar buiten werpen waarin de wereld zich in normale omstandigheden gevangen ziet. Zelfs in een neerstortend vliegtuig is “boven” soms simpelweg “boven”.

Uiteraard ontwaken de ingecalculeerde risico’s keer op keer uit hun hypnotiserende slaap, vallen we in weinig elegante posities bovenop elkaar en verliezen we onze waardigheid en maaginhoud bij elke nieuwe omwenteling. Maar het is heel vreemd – want deze dimensie vol bedenktijd, deze zee van komma’s die door de bodem van onze zelfoverschatting heen snijden, deze situatie laat ons langzaam wennen aan het onvermijdelijke. Het laat ons opnieuw geboren worden en in recordtempo wijzer worden. Zodoende keren we onszelf niet langer naar binnen, maar treden we naar buiten in een oprechte zweem van levenslust en waarheidsprekerij: eindelijk kunnen we onszelf zijn en de buitenwereld daar deelgenoot van maken. Omdat de buitenwereld zoals wij die dachten te kennen onherkenbaar aan het smeltende raamwerk voorbij tolt – om dan te vervagen tot een onwerkelijk concept van onze voormalige betrekkelijkheid – maken wij ons gewag van onze nieuwe habitat, de voormalige chaos die nu betrekkelijk kalm op weg gaat naar hetgeen ons allen ooit wacht. En zo zie ik haar en ziet ze mij en slaan we het raden naar elkaars gedachten gewoonweg over.

Niemand kan zijn eigen ondergang kalm tegemoet treden; maar iedereen kan de ander helpen om die kalmte te hervinden. De vrouwelijke verschijning naast mij doet mijn bloeddruk dalen – ik zal aldus niet sterven aan een hartaanval. Integendeel: mijn hart ontwaakt nu juist uit die vergiftigde nachtmerrie waarin zoveel zinloosheid lag besloten. Mijn hart spoort de rest van mijn moegestreden zintuigen aan om de oorzaak van dit tijdelijk ontwaken op te sporen, en zo bezie ik haar voor het eerst in al haar glorie. Het is alsof deze jonge vrouw aan een netwerk van duizenden kogellagers en ijzersterke assen is gekoppeld, waardoor elke onnatuurlijke beweging van het vliegtuig tenietgedaan wordt en zij als een stralend middelpunt deze vijandige omgeving onder controle blijft houden. Want ja: ze straalt, en nee: je kunt dat netwerk van mechanische onderdelen om haar heen in niets ontwaren, behalve in haar vederlichte vertoning zelf misschien.

Het is moeilijk om uit te leggen wat zo’n rustpunt betekent, wanneer je omgeven wordt door een aaneenschakeling van mislukte noodprocedures en bevangen leek door een uitzichtloze moedeloosheid. Natuurlijk: je stort nog steeds neer, maar je bent niet langer alleen. Je beziet schoonheid in een begeleidingsproces, je durft te hopen op een toekomst van slechts seconden verderop – maar toch: een toekomst is het. Het is heerlijk te weten dat jouw rauwe geslagenheid niet aan dovemansoren valt, dat ze beantwoordt wordt in een kalme toonaard waarin je geen gelijke hebt gevonden – in deze werkelijkheid of de vorige. En zo begint dan toch weer het twijfelen: mag je zulke gedachten wel uitspreken? Wat denkt een ander hiervan? Wat moet zij zelf niet denken van dit alles?

Maar Robert: laat het gaan. Zeg het maar gewoon: ze zal het begrijpen – of toch willen begrijpen. Vertrouw op de goedheid van de mensen om je heen, geloof in de puurheid die net naast je zat. En laat haar de vrijheid die je het vliegtuig niet gunde, laat haar vrolijk stuiteren doorheen gans de cabine, manoeuvrerend tussen voedselkarretjes en snerpende zuigelingen – geniet van de kalmte die ze brengt aan al die elementen om je heen, kijk uit naar het moment waarop ze zich dan onbaatzuchtig weer naast je neervlijt. In vredesnaam: kijk haar toch gewoon recht in de ogen aan, in die moeilijk te doorgronden halve maantjes waarin telkens weer een speels soort optimisme glinstert. Vergeet de pijnlijke brandwonden op je armen en wuif de verstikkende walm om je heen weg, bezie dan weer die puurheid in al haar facetten en glimlach zoals zij dat steeds zal blijven doen: krul de uiteinden van je mondholte naar de bovenkant van je gezicht, en voel hoe ze daar tegengehouden worden door een stel jeukende jukbeenderen. Voel de gelukzaligheid in een dergelijke, ogenschijnlijk wat zuinige uiting van plezier en spreek vrijelijk met haar. Ze kan dat wel aan, anders zat ze hier niet (meer).

En toch blijven die vragen maar komen. Hoe ver is dat aardoppervlak nog van ons verwijderd? Kan ik mij in de tussentijd onsterfelijk belachelijk maken? Rest mij daarna nog een uitweg uit deze dubbelzinnige opleving van hoop en zelfredzaamheid? Hecht ik teveel belang aan dit alles, gezien mijn eigen onbetekenendheid? Zal alles zich niet tienduizenden malen herhalen, zou ik niet beter moeten weten dan mijn gedachten te uiten aan onbekenden? Want vanwaar komt zij eigenlijk opeens? En waarheen gaat zij dan, mochten wij de bodem hebben bereikt?

Maar wat doet het ertoe? Of dit vliegtuig zich nu middels een ongecontroleerd gezwiep van vleugels en staart aan haar makers wil overgeven, of dat het zich decennialang in een keurige rechte lijn naar Uitroepteken X begeeft: de bijzinnen zijn het belangrijkste, en zij spreekt ze uit in een heerlijk soort van kalmte die de vierde dimensie doorbreekt, die mij weer diepte laat zien in een oppervlakkig ondergaan van het noodlot. Daarvoor wil ik haar bedanken, wil ik de hoop uitspreken dat ze blijft proberen me te begrijpen, dat ze zichzelf niet loskoppelt van dat netwerk van lagers en assen waarin ze soepeltjes is verweven. Ik hoop dat ook zij inziet dat er geen reden is tot wanhopen in een neerstortend vliegtuig: de tijd versnelt zich slechts, je leert elkaar in sneltreintempo kennen en zult oprecht in elkaars oprechtheid kunnen geloven. In die gedachte vind ik een geborgenheid die het vliegtuig doet kreunen, waarin stukken metaal voor de laatste maal door mijn hersens heen scheuren en een satijnen deken de koude onvermijdelijkheid van dit alles met de mantel der liefde bedekt.

Waarna het toestel zich alsnog in een soepele glijbeweging naar de landingsbaan begeeft, onder het melodieus getingel van metaal en rubber een prachtige symfonie opvoert waarin de witte ruis samenvloeit met de gitzwarte walm uit motor 2; een kunstwerk waarin ik me afwend van de vonkenregen buitenaan het raampje met de vettige vingerafdrukken, om dan met een tevreden glimlach te berusten in het mislukken van de doodstrijd van mijn doodstrijd. En ik weet: zolang er mensen zoals deze mooie jongedame in mijn leven zijn, zal ik telkens verkiezen te blijven vliegen.

Het is een irrationale angst, ziet u wel.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.