Onhaalbaar

Duizenden vrienden vervreemden zich van mij
en dus zoek ik elke dag naar nieuw geluk;
Blijf luisteren naar meningen die leven dichtbij:
‘n kus of ‘n boek, ‘n vlag ofwel barkruk.

Maar de kus vervliet en het boek is al uit
en de vlag valt stil als gekraak weerklinkt;
De kruk verschiet tot een verloren geluid,
de dag wordt geel als de smaak die men drinkt.

Wanhoop, het treft mij – mijn vrienden steeds minder:
ik zie hen niet graag als slechts lomp gewicht;
Maar al wat ik nu schrei, ‘t wordt nooit ‘n vlinder –
het valt al vandaag bij gebrek aan ‘n uitzicht.

Mijn vrienden zijn woorden, mijn ruzies herhaling –
de stiltes zijn eenzaam maar altijd bij mij;
Ze grienen en moorden – illusies met maling
aan veel te vaak stilstaan bij drukdoenerij.

De lezer, hij weet ‘t – verwordt tot een vrouw,
verbeeldt zich de keuzes maar ziet ‘t patroon;
Geneest dan ineens en, trots als een pauw,
verdeelt dan mijn leuzen in “niets” en “gewoon”.

Gewoon” zijn de delen, die zinnen op liefde –
die zochten naar waarheid, naar zin bovenal;
Niets” zijn zovelen: beginnende dieven
in krochten vol doodstrijd van zinloos gebral.

De dieven, mijn “vrienden”, bestalen mijn vader –
beschimpten publiek en daarin mijn doel;
Verwierven bedienden, verhaalden de schade
op volksrepubliek en eenheidsgevoel.

Ooit werd ik achttien – verloor toen mijn onschuld –
dichtte ik plots als werd ik geroepen
door God en Zijn natie – ik hoorde in veelvuld
‘t Licht en ‘t Lot: ik stopte met zoeken.

Want elk woord was waarheid, bood zoveel kracht –
niets leek onneembaar en alles belangrijk;
Gestoord in ‘n jaar tijd – de Dood die slechts lacht:
Vrienden, vervreemd maar – maar neem nog geen afscheid.

Zo verging ‘t mijn leven: ik bleef bij mijn maten
en vergat dan te geven om wat eenmaal niet
kan worden beschreven – dus schreef ik in gaten,
in angst en in beven, vol liefdesverdriet.

De gaten versmolten tot één groot geheel –
doorzichtige woorden bedekten het thans;
En later dan rolde een sloot van fluweel
langs plechtige koorden, perfect in balans.

Maar allen die lazen, ze snapten ‘t niet –
of niet helemaal, of stukjes toch niet;
Mijn vrienden verbaasden, verklapten subiet
‘t halve verhaal dat hén dan verried.

Ik stopte met schrijven, kon slechts nog voelen
hoe alles verdween zonder ‘n woord;
Werd twintig met vijf en lag ‘s nachts te woelen:
‘k was weer alleen en bleef ongehoord.

Na jaren van waanzin begreep ik opeens
dat vriendschap berust op ritme, gewenning;
Vandaar dat ‘t onding de oplossing scheen
en ik rap bewust wou vinden: herkenning.

Zo vond ik haar ook, zij aan mijn zij –
zo leidden wij dan, elkaar naar ons lijden;
We stonken naar rook, wij allebei –
‘n meid en ‘n man in ‘t Einde der Tijden.

Een tijd ging ‘t goed: gekeurd door mijn vrienden
begaf ze zich steeds, als ‘n schaduw op mijn pad;
Om mij hing ‘n gloed, gekleurd en in kringen –
en toch leek ze reeds, ‘n zwaluw die pech had.

Want ik ben een dromer en zij hield niets tegen –
de woorden: ze kwamen, vanzelf uit de velden;
Maar ‘t was nog geen zomer, getuige de regen –
‘t noorden bleek daarna ‘tzelfde te melden.

Mijn vrienden vertolkten ‘t leven nu muisstil,
verruwd door dat altijd ontluisterend wachten;
Als donkere wolken, gedreven door onwil,
gestuwd voorts door tweestrijd, duistere machten.

Zo kwamen ze terug, en dat dan steeds vaker –
omsingelden ons in een web van verraad;
Ze namen de brug, en dat werd hun wapen:
de waarheid bleek nep, maar ik zag ‘t te laat.

Nu kan ik niet heen meer, en zij evenmin –
het woord wordt een vijand, een weg naar de hel;
Er is hier geen brandweer: het is ‘t begin,
een poort naar de drietand van Hem in Zijn cel.

De kring wordt zo kleiner, nauwer en licht –
alles vergaat en opties vervagen;
Herhaling verfijnder noch rauwer gedicht:
alles op straat, ‘n crisis in lagen.

Mijn vrienden voorvoelen thans ‘t geluk
en haten die vrijheid, dat speelse gedoe;
Misschien onbedoeld en gevolg van de druk
die later tot niets leidt – of deels, tot nu toe.

Maar hoe ‘t dan ook zij: zij is er nog –
en zij zal er blijven, voor mij toch altijd;
‘k Ben moe van die wedstrijd: ze winnen hem toch –
‘k blijf liever drijven op ijdele waarheid.

Woorden, mijn vrinden: verzoen u nu maar
met stiltes en pijnen, compleet onvertaalbaar;
Doornen en linden: wat doen ze aldaar?

Ze willen slechts rijmen met leegte: onhaalbaar.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.