Alles – Dit – Alles

Deze keer is het zoveel anders:
ik wacht op iets waarvan niemand weet wat het wordt;
En dus keek ik naar m’n handen,
dacht dan niets en dat dan heel discreet – maar veel te kort.

Want er zit zoveel dwars in mij –
juist daarom komt er niks meer uit;
Dus volgt er weer ‘n stap opzij –
en slalom ‘k sloompjes achteruit.

Ik haat mezelf om al die voorgaande zinnen –
want ze zeggen niets over hetgeen ik voel;
En ik laat ‘t wel met naam en voornaam binnen,
maar kan niet uitleggen, wat ik ermee bedoel.

De taal vreet mij aldus op van bovenuit –
schreeuwt aldaar om hulp en stuurt impulsen,
helemaal naar lijf en lust, en op haar luidst –
produceert maar domme pulp en lege hulzen.

Toch luisteren mijn armen, mijn hoofd totaal omklemmend –
en beeft het vlees onderaan mijn nagels evenzeer;
Zochten vuisten naar erbarmen, werd geloofd in rare stemmen –
herleeft de vrees van spontaan vervagen telkens weer.

Daarom roepen vingerkootjes op tot actie,
zindert mijn ruggengraat van de spanning;
Worden woordengroepen kleine mootjes –
zakt die stugge overdaad dan naar de landing.

Zoveel wil ik telkens dus weer zeggen –
maar niemand die ‘t weet of hoort;
Ik wil ‘t best wel eens gewóón uitleggen –
maar wordt dan door clichés gestoord.

Want ‘t moet toch mooi zijn, deze frustratie –
‘t kan toch niet onvertaald ronddolen in mijn kelder?
Laat ‘t een graf of kooi zijn: mijn frustratie
zal zich steeds herhaald vertonen en weer afmelden.

Maar de manier waarop, dat is juist ‘t probleem –
zeker in het hier en nu, het zij en ik, dit zalig niets;
‘t Scharniert in m’n kop om stijl en ruis heen
als ‘n nieuw individu, ‘n eigen ik, ‘n waardig verdriet.

Die kloof is zo groot, dat gat tussen hoofd en hand –
waardoor ik steeds vaker de stilte boven het geschrift verkies;
Sterk geloof, monddood: “Mezelf sussen is de kant
waarin ik kan bewaken wat ik wil, daardoor deels mijn drift verlies.”

Een wijsvinger protesteert –
een gedachte spoort hem aan;
Die dingen ben ik niet verleerd –
dit wachten voor ‘t schrijven-gaan.

Maar m’n handen: ze zijn ontheemd, verdoofd –
koud als ‘n winternacht, gebogen als rozenkrans;
Nu de ander niet meer in de één gelooft
rest hen minder macht, te betogen in ‘t Nederlands.

In plaats van het gebruikelijke schrijven,
beperken mijn palmen zich tot een klagelijk zwieren;
Tot ‘n staat van onduidelijk weg te drijven
in ‘n kerker vol walmen en ondraaglijke manieren.

En zo is er weer teveel geschreven –
en zo heb ik vrij weinig écht verteld;
En zo mis ik meer en meer ‘n leven,
waar ik nooit oprecht op was gesteld.

Dan, heel even, komen de handen blijkbaar toch van pas –
voelen duim en middenstuk zich zichtbaar sterk verbonden;
Want dat leven, sloom en interessant en beschrijfbaar als ‘t was,
woedde als ‘n ongeluk en had mijn dichtwerk dan verslonden.

Ik mag dus niet klagen, word meer volwassen –
en nu is ‘t beter, al zit ik op slot;
Ik dacht echt al dagen: “Ik wil haar verrassen” –
zij zal ‘t wel weten: ‘t maakt me kapot.

Maar ondanks alles en al het nieuws –
ondanks afgrijselijke feiten die me verminken;
Laat ik mij vallen, recht in de sneeuw –
om dan op keizerlijke wijze, opnieuw te verdrinken.

Het einde is nog lang niet in zicht.

2 Responses to “Alles – Dit – Alles”

  1. Met een glas goeie rooie wijn op de bank met de iPad zoekend op de krochten van het internet kom ik je op Facebook tegen en door naar bladsite! Mooie teksten, zelf ben ik niet zon schrijver. Alles goed met r sinke?

    Wil nog wel eens bij praten over dit en dat !

    Gr. Kempe

  2. Heuj Kempe, long time no see – mja, deze krocht was ff wat verwaarloosd ivm druk-druk-druk. ‘k ga u nog wel eens tegen ‘t lijf lopen, zij het her of der – er valt genoeg bij te keuvelen.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.