De stilte verklaard

Het is heel raar.. Telkens kijk ik de andere kant op, kijk ik naar anderen die mij moeten vermaken in plaats van andersom – terwijl het toch eigenlijk altijd andersom is geweest. Ik snap mijn eigen verwachtingen niet meer, val terug in patronen waarvan ik weet dat ze me niets meer zullen brengen dan tijdelijke afleiding. Een levensgroot probleem wacht mij op, overal waar ik ga; ik durf geen straathoek meer om te slaan, geen straat meer over te steken, hoop feitelijk geschept te worden door een zwaar industrieel voertuig op klaarlichte dag, midden in mijn eigen woonruimte. Het gaat allemaal zo traag en log, zie je: alsof een pletwals tergend langzaam rondjes over mijn maagstreek heenrijdt, waardoor allerlei sappen allerlei kanten opschieten zonder vooropgezet plan. En dus prevel ik, bid ik om een genadig eind of een levensvatbaar vervolg. Mijn hart snapt er helemaal niets meer van, sust zichzelf in slaap en wordt dan met horten en stoten wakker. Alles is opeens veranderd – er is schoonheid, er is intens verdriet; het volgt elkaar op, raakt elkaar aan, raakt verstrengeld in een kluwen waar geen mens meer wijs uit kan worden. Het is heel raar.

Ik weet dat ik hier niet meer uit ga komen, dat deze vreemde inham in mijn leven te intens en te interessant is om te verlaten. Wellicht loopt deze onbestemde uithoek dood – zo nu en dan zie ik iets in de verte dat op een hemelshoge muur lijkt, een onbedwingbaar object dat schudt en beeft, alsof het elk moment in al zijn glorie naar beneden kan storten en mijn miezerige aanwezigheid tot gruis zal reduceren – maar de hoofdweg van mijn leven leek toch al in staat van verval, klaar om afgesloten te worden zonder concrete plannen voor renovatie. De inham werd zodoende mijn redding, maar het concept van redding is mij volstrekt vreemd. Alles is heel vreemd.

Woorden vervagen, proberen een geheel te vormen om dan als dode mussen vanuit mijn denkraam op de grond onder mij neer te vallen. De woorden, de verzen: ik vind ze niet meer terwijl ze mij juist nu zo ontzettend overweldigen. Nooit had ik meer te melden dan op dit punt in mijn leven; nooit bleek ik machtelozer om uiting te geven aan al die nieuwe emoties en ervaringen. Het komt waarschijnlijk omdat die ander de helft van die woorden stuurt, ik de controle van mijn voormalige non-leven uit handen heb gegeven en nu op die ander moet leren te vertrouwen om mij te souffleren in tijden van nood. Die zalige harmonie is een ondraaglijke last voor een egocentrische perfectionist die zichzelf al had neergelegd bij een eeuwig tegen gewetenloze muren aan schreeuwen – die walgelijke, zelfingenomen persoon binnenin mij is thans aan het sterven, en dat is goed maar uiterst pijnlijk. Het geeft aan dat ik gefaald heb in mijn perceptie van de wereld om me heen, dat feitelijk niets meer zeker is nu er nieuwe zekerheden in mijn bestaan zijn gekropen.

Er is eindelijk iemand die alles om me geeft, die juist niet denkt en handelt in flarden, maar in eenzelfde deken van mist gehuld gaat en mij ontleedt, me ontdoet van de pluizen die voorheen mijn camouflage naar de buitenwereld vormden, me die koude buitenwereld doet vergeten en me er tegelijkertijd tegen beschermt door haar aanwezigheid. Een aanwezigheid die alomvattend is, sterker wordt naarmate de fysieke afstand tussen ons tweeën groeit, de pletwals op mijn maag verjaagt of juist aanjaagt; een aanwezigheid getekend door dynamiek, zelfs ten tijde van complete stilstand. Er is iets om naar terug te keren of naar uit te zien, een verklaring voor blijdschap of pijn – maar een ongeschreven en onbeschrijfelijk iets: hoop en wanhoop tegelijkertijd, en misschien zelfs alles ertussenin. Er is iets dat mijn leven overhoop heeft gegooid doordat het mij het leven in heeft gesleurd.

Ik leef dat hernieuwde leven sinds een maand of twee. Alles ervoor lijkt opeens volkomen onwerkelijk, een theoretisch onderdeel van een praktisch-onmogelijke gang van zaken die feitelijk ontzettend onnodig was – alleen blijkt dat nu pas, en blijkt het op zulk een heftige manier dat de terugkeer naar de vorige staat, die vegetarische afwikkeling van dode gedachten ter vermaak van iedereen en alles behalve mezelf, volkomen onmogelijk wordt. Enkel te denken aan een gedwongen terugtreding naar de persoon die ik kortgeleden nog dacht te zijn: het maakt me misselijk, verdrietig en hopeloos. Die terugtocht zal ongedekt zijn, chaotisch en rampzalig: grote delen binnenin mij – pas recentelijk hervonden en geactiveerd – zullen afsterven en de weinige reeds-bestaande nuttige onderdelen binnenin mijn vorige ik besmetten, waarna de hele verdoemde bende zal ontsteken in één grote zweer van ellende. Maar ik zweer dat zelfs het ontploffen van die etterbuil in het niet zou vallen bij de prachtige teloorgang die ik zo nu en dan in mijn nieuwe leven ervaren mag. Die uiterst diepe dalen binnenin mijn ingeslagen inham vormen soms een labyrint op zich, een verwarrend patroon van gemis alsmede een besef van de uitzichtloosheid van mijn wandeltochtjes. Ik zie mijzelf dan omsingeld door steeds dezelfde hemelshoge muren die aan alle kanten op mij neer lijken te storten: rennen heeft geen nut, stil blijven staan zou van een zeldzaam soort stupiditeit getuigen – mij rest dan slechts de wandeling naar het binnenplein, waar zij wonderwel steeds op mij schijnt te willen wachten. En zodra ik haar zie, haar voetstappen nog maar denk te horen, mij herinner dat zij weet waarnaar ik ruik, zodra ik denk aan de welgemeende omhelzing van dadelijk – wel, dan proef ik een intens geluk waaruit eindelijk een soort van levenslust ontspruit. Ik lijd, ik leef. Zo weinig woorden, zo ontzettend cliché-matig bovendien – wie wil dat lezen? Wie wil dat schrijven? Maar toch: ik leef, ik lijd.

Want ja: ik lijd enorm, de laatste tijd – feitelijk de enige tijd die werkelijk de moeite van het leven waard is gebleken. Zure gedachten stromen in dikke stralen van mijn longen naar mijn keel, bedwelmen dan mijn hals zodat mijn ademhaling stokt: ik kan de toekomst lezen, en de toekomst áchter de toekomst – zij is opeens een zekerheid geworden. Dunne druppels van verlossing dalen daarna neer op mijn oververmoeide hart, dat in stukken breekt en opgaat in een ontwaakte ziel. Een bol van warmte perst zich een weg door mijn ribbenkast heen, blijft dan enkele centimeters voor mijn borstbeen hangen als een soort van aaibare jeuk. Het is het gebied waarin zij zo meteen haar hoofd te ruste legt, een tijdloosheid die voorbij vliedt als een natuurkracht waartegen geen mens iets kan inbrengen. Want zoals de eeuwige nutteloosheid van mijn voorbije jaren verre van oneindig zijn gebleken, zo ook zal zij zich snel weer van mijn karkas verwijderen en de bol vooraan mijn borstbeen aan een elastiekje binden, om er daarna dan mee aan de wandel te gaan. Elke keer keert dat gevoel met een pijnlijke klap terug in mijn verzuurde binnenste, enkel omdat zij de teugels laat vieren of strakker aantrekt. Maar het is geen marteling: het is nemen en geven, het is lijden en leven. Ze laat het elastiek nooit knappen.

Er heeft in mijn leven altijd iets ontbroken, en nu weet ik wat het was: het was een gemis aan een gemis. Er is geen grotere tragiek dan iemand daadwerkelijk te missen omdat die persoon een deel van jezelf is geworden, grip heeft gekregen op je vocabulaire en je stofwisseling, je aanvult tot je ware ik of je reduceert tot een minderwaardig alternatief. Dat te beseffen is een enorme vooruitgang ten opzichte van het vorige minderwaardige alternatief waarmee ik me al die tijd tevreden heb gesteld – het is een besef van medemenselijkheid, het uit handen geven van je aangenomen macht, een onbestemd vertrouwen in iemand die haar eigen leven leidt zonder jou daarbij te vergeten. In al mijn ellendige gevoelens maak ik deel uit van het leven van een ander, iemand die soms van me wegrent maar toch steeds even stil zal blijven staan – soms zelfs enthousiast op me af beent, me deel uit laat maken van haar eigen verwarde woordenbrij, van onoplosbare problemen die besproken worden tegen een decor van omvallende muren en lichtvoetige pletwalsen.

Dit alles is nieuw voor mij, en zij weet dat. Voor haar is het ook volstrekt niet vanzelfsprekend: in die zin vullen we elkaar nog beter aan. We zijn een interessante inham ingelopen – niemand weet waarom of hoe, maar toeval kan het niet geweest zijn, daarvoor zij al die toevalligheden veel te toevallig gebleken – en we komen er niet echt meer uit, voelen daar de behoefte geenszins toe. En aan elkaar kunnen we onze woorden kwijt, vinden we al onze gevoelens, maken ze kenbaar in woord en beeld; terwijl daarbuiten, op mijn voormalige hoofdweg, de mensen zo nu en dan eens een blik naar binnen werpen, het gemompel en de schalkse blikken proberen te ontcijferen. Geen van die passanten schijnt het te willen snappen, hetgeen me vroeger had geïrriteerd omwille van een gebrek aan totale perfectie; maar nu ik een werkelijk leven heb gevonden, een leven leidt waarin het lijden een functie dient, kan het me eerlijk gezegd allemaal weinig meer schelen. Ik voel eerder een soort van onbestemd medelijden met de oppervlakkigheid die de “perfecte” mens geheel vrijwillig ten toon spreidt. Ze zouden eens een inham of een steegje in moeten wandelen, eigenlijk.

Toch jeukt het ergens nog, die buitenwereld. Als je er zolang deel van hebt uitgemaakt – tot op twee maanden geleden toe, nog – dan is het onmogelijk je er jezelf volledig van te distantiëren. Je probeert dan nieuwe dingen te beschrijven volgens het stramien van je voormalige zelf; maar feitelijk put je uit reserves, voorraden die net zo eindig zijn als de hoofdweg zelf. Zodoende kon ik de motivatie niet meer vinden om te schrijven vanuit mijn oude persona, te doen alsof er niets aan de hand was terwijl de wereld binnenin mij steeds veranderlijker werd. Mijn binnensmonds-geuite woorden vonden niet langer de weg naar buiten via het ritmische getik van mijn vingers – de perfectionist in mij was toen reeds stervende, maar vocht als een bezetene tegen zijn teloorgang, tegen de conclusie dat zijn bestaan al die tijd slechts een illusie moet zijn geweest. En nog steeds staat hij niemand toe hem te helpen – hij kijkt enkel om gezien te worden.

Zo keek ik dus naar anderen, in de hoop dat ze mij de antwoorden konden voorschotelen waaruit ik dan een nieuw soort inspiratie zou kunnen putten; ik hoopte te zien wat anderen dachten over ons tweeën, om die gedachten dan te weerleggen middels messcherpe analyses die ons gelijk feilloos zouden bewijzen. Maar des te krachtelozer de perfectionist zich manifesteerde, des te meer groeide het besef dat het enige gemis van enige waarde zich niet in publiekelijk-toegankelijke termen liet omvatten. Ik stelde mij tevreden in een dubbelzinnig lijden zonder zichtbare uitlaatklep, in een ondeelbaar soort verdriet of allesomvattende explosie van gelukzaligheid. Deze woorden zijn herhalingsoefeningen, maar in de inham voel ik mij beschut genoeg om ze te blijven herhalen: ik weet dat ze nooit aan dovemansoren zullen vallen.

Nog steeds weet ik niet wat ik van dit alles moet denken, waarheen dit pad leidt of welke muur op instorten staat. Ik weet heel goed waarheen zij telkens rent, en waarom – maar tegelijkertijd kan ik het niet over mijn hart verkrijgen dit alles te laten vallen, me kwetsbaar als een naakte keizer op de hoofdweg te begeven en te doen alsof er niets aan de hand is. Zo nu en dan is die terugkeer onvermijdelijk: een mens heeft boodschappen nodig, een student moet examens afleggen. Op die momenten verkies ik in een voorportaal van de inham naar buiten te turen, een aanloop te nemen en een grote sprong over de hoofdweg te ondernemen. Ik heb genoeg van het telkens om me heen moeten turen, op te moeten passen voor vijandelijk verkeer dat nooit schoonheid in mijn woorden heeft gezien. Plichtmatig handel ik mijn taken af, om dan telkens terug te keren naar de ijzingwekkende stilte binnenin de inham.

En dan kan ik mijn ogen sluiten, hoef ik nooit om me heen te kijken – want ik weet dat zij er aankomt en dat ze steeds voor mij zal stoppen. Dat moment, die stilstand, dat is thans mijn leven. Alles eromheen is onduidelijk en onbeschrijfelijk – het moment zelf spreekt voor zich. Ik ben deel van een leven dat ik nooit meer kan verlaten; ik ben deel van het leven van een ander, zonder dat ik weet waarheen dat leven leidt. En dus blijf ik zo soms kijken naar anderen, als was het een reflex uit een ver verleden – een verzoek om redding van iemand die feitelijk al aangespoeld is. Mijn longen zitten vol zout water, het zand onder mij slijpt zich een weg naar het binnenste van mijn gestel: de drenkeling is gered en zijn leven begint opnieuw terwijl de wind hem als een onzichtbare inham omhult. Zoiets doet iets met een mens, met ‘s mans hart en verstand. Het is heel verwarrend, heel emotioneel en heel intens allemaal.

Het is heel raar.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.