Uitstapje naar de Hel

Het traditionele beeld van de Hel, waar tongen van donkerrode vlammen ontsnappen aan een veelkleurig geheel waarin een onbegrijpelijk lijden verholen ligt, lijkt in meer dan één opzicht achterhaald. Veel mensen geloven immers niet eens meer in de Hel als een feitelijke verzamelplaats van ellende; anderen denken er liever aan als een cryptisch soort hiernamaals, waarin geestelijk lijden de boventoon voert en de omgeving zich enkel naar die gemoedstoestand voegt. Voor meer en meer mensen lijkt de Hel compleet leeg en donker, een martelkamer ingevuld door de (op realiteit gebaseerde) fantasieën van iedere ongelukkige die daar terecht (en terecht) is gekomen.

Nergens zien we nog overvoede bromvliegen getooid in bokkenpruiken, bewapend met hooivorken en omgeven door de stank van zwavel en verraderlijkheid; weg zijn ook die gruwelijke, eeuwig-durende beproevingen als het ondersteboven rondzwemmen in een put vol onbeschrijflijk slijk. De Duivel is met pensioen en heeft een vakantiehuisje binnenin onze ziel gebouwd, zo lijkt de huidige moraal te gelden.

Maar er klopt niets van. De Hel is niet compleet gehuld in duisternis – ze is ook verre van leeg. Totale duisternis zou een zegen zijn vergeleken met de Hel die ik vandaag binnentrad: een gemeenplaats voor gruwelijk-verminkte half-levenden, die allen wanhopig liggen te kronkelen in de weerkaatsing van een bijzonder onaangenaam wit licht. Ledematen van lotgenoten stromen leeg in lauwe stromen anoniem grondwater, platgedrukt door de rijen en rijen van zondaars die zichzelf buiten mijn zicht in drassige modderpoelen gooiden teneinde een definitief einde te bereiken.

Natuurlijk klopt het wel dat de Hel in je hoofd zit – ik ondervond het vandaag zelf ten enenmale. In de beslotenheid van mijn studeerkamer liet ik mijn gedachten zo nu en dan de vrije loop, wilde ik de ketenen van mijn dodelijke saaie taken aldaar doorbreken door van kwaad naar erger te reizen. In principe was er voor mij geen uitgesproken noodzaak om mijn veilig vagevuur te verruilen voor een Hel die mij niet specifiek tot zich had geroepen; maar die bizarre speling van het lot, die illusie van zelfbeschikking, dwong mij als het ware naar buiten te treden en mijn opgekropte ellende onder ogen te komen. Zoals waar geluk enkel als zodanig kan worden ervaren door kennis te nemen van ultiem verdriet, dient ook de nutteloosheid van mijn gezapige leven zo af en toe van een karaktervol kader te worden voorzien. Te leven in zinloosheid is de waanzin te ontwijken, en ik heb een Hel nodig die mij dat toonbaar kan maken.

In mijn Hel regende het vandaag de hele dag door. Nu ben ik bepaald niet vies van een beetje regen – integendeel, ik vind het vaak verfrissend, dat gespetter van natte vlokjes gespeeld geluk en verward verdriet – maar uit angst opgeslokt te worden door die draaikolk van depressieve doodsgedachten daarbuiten, verkoos ik toch om mijzelf minstens te omhullen in de achtergelaten habijt van een vrijgevochten monnik die zich de ganse dag lijkt te begraven in zijn geestdodende werk, en daardoor de tijd niet meer vindt om zich om Hel noch Hemel te bekommeren. Men zegt dat deze man mijn vader is; zeker is, dat hij van me houdt. Zeker is, dat hij me vandaag nooit op weg naar de Hel heeft zien gaan. Het gehuil van mijn twee Hellehonden heeft voornoemde figuur enkel in een trager tempo doen werken, misschien enigszins tot zijn irritatie zelfs – maar nooit merkte hij het verdwijnen van zijn versleten werkplunje op, of het gehuil van een duizendkoppig leger dat door de voordeur van ons gedeelde Vagevuur probeerde binnen te dringen.

Het leger der lijdenden kan ook slechts huilen; de Hel staat haar niet toe werkelijk een vuist te vormen en de portalen van zijn grenzeloze grootheid aan te tasten. De miljoenen mentaal-armlastigen die dienst doen in de rangen van dit regiment zijn vervuld van hoop – hoop op betere tijden, een verminderd lijden, een eeuwige saaiheid zoals zij die dagelijks terugzien in de weerkaatsing van mijn zielloze bestaan op hun eeuwig natte wegdek. Ik hoef geen moeite te doen om de opstelling van dit leger te doorbreken; elke cohesie gaat meteen verloren zodra de warme lucht van mijn vagevuur de anonieme koude binnenin het oog van deze tornado ontmoet. Ondefinieerbare kleuren slaken onuitspreekbare kreten, om dan te vervluchtigen in een spoor van diep-donkere stanken en eindeloze ijlbeelden die de horizon opentrekken, verbuigen, opeten en spoorloos doen verdwijnen. Ik treed thans het rijk der eeuwig-stervenden binnen en voel me meteen thuis. Een vaderfiguur ontbreekt hier volledig, want niets schijnt enigszins te willen werken.

Opmerkelijk is het wel: de weg die dieper de Hel inleidt, loopt immer omhoog. Het is toch alsof er gradaties van misdrijven bestaan, waarvan de minst-erge onderaan dit heuvelpad terechtkomen om dan te worden verzwolgen door een eindeloze waterval van hernieuwde straffeloosheid – al het slechte komt steeds van boven naar beneden gerold, immers. Wellicht betreft het hier ontheemden die hun heil elders zochten, en zich in de vaart der vervloekte volkeren dan willoos mee lieten slepen door het heldere braakvocht van het machteloze leger dat, duizend rijen dik, steeds mijn deuren omsingelt zonder aanvalsplan of vredesvoorstel.

Hoe dan ook: tussen de slijkerige golfjes van deze kunstmatige beekjes ontwaar ik verwrongen gezichten van huilende mannen en kinderen, eeuwig op zoek naar de vrouw in hun leven – een leven dat allang verloren is gegaan in verspilling en hebzucht, of juist een compleet onnozel soort onschuld dat enkel hier kan bestaan, de Hel tot zo’n onbegrijpelijk wrede voorstelling maakt omdat onrecht hier de maatstaf voor alle beweging blijkt.

Veel licht is er niet: net genoeg om de gruwelijkheid van dit alles te kunnen doorgronden, te kunnen raden naar de rest van de vuiligheid die mij te wachten staat. De bolling halverwege de heuvel die ik beklim wordt doorbroken door een barst in het beteerde en verteerde asfalt onder mijn rubberen kaplaarzen. Deze scheur wordt belicht door een lamp hangend aan een hoge, betonnen paal waarvan het interne vlechtwerk zichtbaar is gaan roesten. Zelfs in al mijn zielloosheid doorklieft de treurigheid die het licht uitstraalt de verdroogde resten van mijn hart, en even kan ik niet anders dan blijven staan en naar adem happen.

Maar zoals alles in de Hel, is ook het zintuig van de reuk niet gevrijwaard van een eeuwigdurende martelgang die het universum zal overleven, de schepping zal overstijgen en uiteindelijk zelfs teniet zal doen. Een ranzige geur als die van rottend tuinafval dringt door in mijn neus – stopt daar echter geenszins, gaat door tot aan de onderkant van mijn hersenpan en graaft zich vervolgens een weg naar de achterkant van mijn oogholten. De stank wil dat ik zie wat de lamp belicht: het gekrioel van duizenden regenwormen die uit kleine en grote scheuren uit het aardoppervlak komen gekropen, omsloten door lagen bloed en vuiligheid, veelal gebarsten als steenpuisten onder de druk van de verstikkende atmosfeer alhier – maar eeuwig levend, op zoek naar genade in een dood die de Hel hen niet toe zal staan. De complete machteloosheid van al hetgeen hier terecht is gekomen blijkt eens temeer uit de nutteloze inspanningen die de regenwormen zich getroosten, alsof het proces van langzaam vertrappeld worden door steeds weer andere vormloze massa’s hen kan vrijwaren van een anoniem en weerzinwekkend lot waarin geen massamoordenaar zich zou durven te schikken.

Ik vervolg mijn weg, de Hellehonden aan mijn zijde allerminst onder de indruk van de natte hagel vol zwavelzuur, ongemoeid ook door levende stukjes mos die om hulp roepen terwijl ze steeds dieper worden opgeslokt door puntige bladeren, waarvan de dichte textuur elke ademhaling onmogelijk maakt. De eerst-ijselijke kreten vergaan ten slotte tot een stilzwijgend stikken vervuld van berouw maar zonder hoop op redding. De geteerde weg loopt als een kloppende ader door het troosteloze, verdronken landschap dat geen enkel leven lijkt te herbergen – enkel vernietiging, pijn en uitzichtloosheid, overal waar men kijkt. In de verte worden hoge dennenbomen heen en weer geslingerd in een waanzinnige dans waarin wind en water om en om vat proberen te krijgen op de woudreuzen, die steeds te laat om zichzelf heen slaan – gezien hun respectabele leeftijd ook nauwelijks interesse meer kunnen veinzen.

Telkens leidt dat wonderlijke witte licht mij langs de hoofdweg van de Hel. Ongetwijfeld krijg ik, als bezoeker en potentieel klant, de meest aansprekende hoogstandjes te zien; ongetwijfeld, ook, verschillen de taferelen die zich voor mijn ogen en in mijn neus afspelen nauwelijks van enig andere situatie in dit verderfelijke oord. Overal waar ik kom ervaar ik een extreme eenzaamheid, een intens geliefd worden enkel om altijd gemist te blijven.

De eerdergenoemde dennenbomen schieten onwillekeurig de rouwranden vanonder hun stekelige tentakels vandaan; terwijl die naaldjes venijnige pogingen doen mijn gelaat met littekens te bedekken, hoor ik een zwak gemompel van familiare oorsprong. Of het een uiting van medeleven, onbegrip of juist voldoening is – ik weet het niet: te moeten raden naar de bijbehorende personage is een marteling op zich. Het stemgeluid doet mij besluiten rechtsomkeert te maken, nu een terugkeer naar haar werkelijkheid nog mogelijk is.

Het constant fluiten van gloeiendhete, onverstaanbare woorden baant zich een weg tussen de schimmen van uitgebeende koeienkadavers en verzuipend helmgras door. Het doet zelfs de sterk-gewelfde lichamen der sterkste regenwormen ontploffen in minder dan geen tijd, waarna de heuvel verwordt tot een gigantische ophoping van ontstoken ingewanden die het morsige regenwater van ontheemde lichaamsdelen in zich opnemen als ware het een negatief levenselixer. Troosteloze soldaten grabbelen krachteloos met hun onzichtbare klauwen naar mijn hielen – en toch struikel ik, rol ik de smerige heuvel af en word ik omgeven door een intens verlangen naar de nutteloosheid die mijn vorige leven vervulde. Ik ren alsof er iets van mijn leven afhangt. De stem en de Hellehonden houden me moeiteloos bij; de achterdeur van het vagevuur brengt verlossing voor ons allen.

Zo kom ik thuis, leg mijn habijt af, groet ik de monnik en kijkt hij even op.

Naar buiten geweest, zeker?
Ik knik.
Te vroeg,” meent hij nu. Mijn blik verraadt verbazing.
Ze roept om geduld.

En hij verdrinkt weer in zijn werk, een werk dat ik beter begin te begrijpen.

Enkel geduld kan een Hel als deze verslaan.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.