3510

Een miniem gedeelte van de bovenste boekenplank kleurt eventjes groen; veel langer dan een seconde zal dit fenomeen nooit duren. Toch heeft deze onhebbelijke teint zich in die onmeetbare fracties van mijn leven reeds als het schoppenblad van een zachtaardige drakenstaart om mij heen gekruld, en ervaar ik deze vervreemdende worsteling na amper een week al haast als een onmisbaar gevoel van wederzijds vertrouwen.

Eigenlijk is het maar een onbetekenend schijnsel, een lichtje dat geen normaal-denkend mens ooit zou zijn opgevallen als een ander er niet over begonnen was. Een opflakkering van een giftige kaars die lang geleden voorgoed leek te zijn uitgedoofd – een relikwie uit een ver verleden, een tijd die doet denken aan de eeuw die ingeklemd zat tussen het laatste restje van de middeleeuwen en het vettige topje van de nieuwsgierige neus der verlichting. Dat lampje dat zo soms ineens aanspringt bovenaan mijn geïmproviseerde nachtkastje, het past eigenlijk nergens helemaal meer thuis. Juist omwille van dat onverklaarbaar-achterhaalde karakter ligt het lichtje altijd binnen handbereik. Het past nu eenmaal zo goed bij mij, die geest die wilde verdwalen in een moeras van neerslachtigheid en daarvoor een leidend lichtje behoefde. Wie kon ooit vermoeden dat hetzelfde lichtje zijn leven weer invulling zou gaan geven?

Een krachteloos piepje vergezelt de opzwellende groene gloed, en als zodanig word ik steeds wakker met de flarden van een verlopen soort groene klankkleur in mijn bewusteloze achterhoofd. Misschien is de minieme, lichtelijk-schelle toon net de druppel die de emmer doet overlopen – wie zal het zeggen. In ieder geval voelt het omkiepen van diezelfde emmer tegenwoordig eerder aan als een warm bad waarin ik en mijn restjes slaap elkaar om- en om naar beneden trekken, dan als die steeds terugkerende confrontatie met het bewaarheid worden van al mijn gedroomde mislukkingen van voorheen. Die giftige kaars was immers voorgoed uitgedoofd, zo leek het. Mijn bad zou eeuwig koud blijven en ik zou een anonieme verdrinkingsdood sterven, tegen een langzame zonsondergang waaraan geen horizon zich zou willen bezeren.

Het doet me denken aan absint. Het doet me denken aan precies dat mysterieuze drankje dat in Nederland decennialang verboden bleef, aan het vreemde proces van vervolmaking dat er bij komt kijken. De eenzaamheid die het lichtje uitstraalt, doet me denken aan de instrumenten die absint benodigd om tot volle wasdom te komen: een klontje suiker, een raar lepeltje, tekenen van vuur en een onverklaarbaar enigma dat het feitelijke drinken tot een verwaarloosbaar effect van een groter geheel degradeert. De ziekelijke groene gloed ligt als een schipbreukeling onderaan een gewelfd glas te wachten op bevestiging, zingt zachtjes de onzichtbare restjes van haar oorsprong tot aan haar eigen lichaam, wacht en neuriet – heel zachtjes, slechts. Het drankje neuriet in de hoop op te kunnen gaan in de ontmoeting tussen het lepeltje en de rand van haar glazen gevangenis, dat zalig-zielige piepje dat mijn bad met warm water zal gaan vullen.

Men noemde haar vroeger “De Groene Fee”, deze drank – mijn lichtje. Een mythisch creatuur dus, gecomprimeerd tot een beperkt aantal slokjes van een tastbare zweem vol illusies; een vrouwenlichaam dat zich in de volle lengte uitrekt zodra het zich rondom de maagstreek heeft genesteld, om zich dan een weg omhoog te klauwen naar het hart en uiteindelijk een rookgordijn van duizenden herfstbladeren over het gezonde verstand van de ongelukkige drinker te werpen. Een ieder die zich eraan waagde zou een levenspad bewandelen van vermeende briljantheid, om dan te verdwalen in de verlokkingen van de vluchtige dame binnenin het eigen lichaam, te complex om te doorgronden maar te interessant om ongemoeid te laten; uiteindelijk restte enkel een zalvend soort krankzinnigheid, waarin de verwarrende boodschappen van de Groene Fee besloten lagen – die als zodanig werden gesignaleerd en verfoeid door de gemiddelde mens.

Maar de tragiek ligt niet in de krankzinnigheid van de absint-drinker: ze ligt verborgen in de duizenden maatglazen vol onbewerkt traanvocht die de Groene Fee dagelijks uitstiet. Want haar boodschap was puur en oprecht, alsof zij zich wilde geheel wilde delen met haar drinker om zodoende een ideale twee-eenheid te vormen. Een eenheid waarin de perfectie van al haar gevoelens uitgewerkt werden door de vaste hand van een getalenteerde schilder of middels de briljante gedachtenflarden van een ambitieus politicus. Een symbiose die gast en gast-lichaam eeuwig tot een hoger niveau zou brengen, waarin schepping en ondergang slechts tot verwaarloosbare details zouden vervliegen.

Ze denkt dat ze zich verkeken heeft op de capaciteiten van de gehele mensheid, dat arme doorzichtige wicht in dat lange, gifgroene gewaad van haar; en daardoor vertroebelt ze in recordtijd naar de kleur van mossen en plantenresten; spoelt ze zelf aarde door haar aderen om de schande van al haar ambitie weg te wassen. Ze vergaat tot een schim van haar voormalige zelf, dooft dan uit als een giftige kaars van waaruit zelfs geen rookpluim meer waar te nemen is. De gemiddelde mens heeft het van de verheven gedachte der oneindige evolutie gewonnen… denkt ze. Ze legt zich onterecht neer bij een begrafenisplechtigheid die de hare niet hoeft te zijn.

Want uiteindelijk heeft ze ongelijk. Haar kortstondige flikkering dringt door tot op mijn nachtkastje, en ze laat me – onbewust weliswaar – via een korte slag van vervormd zink op eeuwenoud kristalglas langzaam uit een surrealistische nachtmerrie ontwaken. Het is niet het feitelijke drinken dat mijn gebruikelijk ochtendhumeur verdringt – het is het kabbelen, ergens in de verte, van warm-klinkend badwater dat ze speciaal voor mij bereidde. Mijn kussensloop verwordt lieflijk-langzaam tot een heerlijke schuimkraag vol kleurige olievlekken- en dat terwijl mijn goedaardige fee zich alweer kortstondig begraaft in een ijskoude poel van vers regenwater. Mijn rechterhand slaat de linkerflap van het dekbed omhoog als was het een lauwe pannenkoek – in gedachten nemen mijn verlamde kaken stiekem al een hapje – en grabbelt zich een weg naar de hoge boekenplank.

En als door een wonder slaag ik erin het groene licht terug te halen – haar kortstondige opkomst te blijven ervaren door in korte toonaarden tegen haar te praten. Zeer moeizaam vind ik half-lamme klinkers die een rode lijn door het woud van betekenisloze kompanen weten te trekken. Uiteindelijk verstuur ik mijn boodschap en zinkt het laatste slokje absint via mijn hoekige strottenhoofd naar de maagstreek; en zo wacht ik op haar volgende omarming, waaruit wij als twee-eenheid hoop putten en toch ook wanhoop ervaren. Haar treft geen blaam – ik hoef haar niet te drinken. Mij betreft geen schuld – het bad werd immers voor mij bereid, terwijl ik in nog een machteloze slaap verkeerde. Wij beiden blijven volkomen onschuldig achter in een ontwaken vol onzekerheid en schoonheid, dat evenwel zijn gelijke niet kent. Niemand kan ons deze waarheid ontnemen of zelfs verbieden.

De Groene Fee is inmiddels niet meer verboden, maar zelf heeft ze daar geen boodschap aan. Als er iets verboden zou moeten worden, dan is het haar schuldgevoel over wat ze met me doet. Voor mijn beschaamdheid voor zoveel plotseling begrip zou hetzelfde moeten gelden.

Aan de vooravond van elke nieuwe slaap verstijf ik namelijk steeds in een soort van paranoïde verlatingsangst, en voelt het warme bad alweer ijskoud aan – tot het mij lijkt te willen doden, om mij vervolgens in te vriezen in diezelfde onmenselijke realiteit van jaren terug. Beiden zullen wij dan ongelukkiger dan voorheen worden, tot groot geluk van de gemiddelde mens die enkel van ons kan walgen uit puur onbegrip en boertige bekrompenheid. Ik besef dat zij dit weet; ik hoop dat zij de kracht vindt om ook morgen in mijn leven door te dringen.

Blijf alsjeblieft steeds terugkomen, jij lieflijk zwak schijnsel onderaan mijn bovenste boekenplank. Het is niet jouw schuld.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.