Houd afstand

Soms is afstand eerder beschrijfbaar dan meetbaar; kun je tussen de poriën van twee verschillende vingers van twee verschillende eigenaars een soort hoogspanning voelen die ontrouw of verlatingsangst verraadt, terwijl de feitelijke afstand (of juist het totale gebrek eraan) anders zou doen vermoeden. Mensen wier handen elkaar zoeken als alternatief voor het gesproken woord: ze staan vaak reeds mijlenver van elkaar vandaan, worden enkel gebonden door een symbolische wanhoop van een onvermijdelijke ontmoeting.

De minst meetbare afstand van allen is dan ook juist die aanraking van twee aparte werelden die altijd één zouden willen zijn, maar voor eeuwig verdoemd blijven tot een kille tweedeling. Beide breinen sturen de verschillende vingers op andere wijzen aan, ontvangen de signalen van de ander tegenover hen ook via verschillende kanalen: slechts weinig gaat écht goed. Het smeden van de perfecte twee-eenheid is veelal een uiterst eenzame aangelegenheid; de waarheid doet de perfectie geen eer aan, immers. De waarheid kent kloven en rouwranden op beide vingers en beide handen; imperfecties die het hart heeft opgezocht opdat het brein ze moge vervloeken.

De afstand die zich het meest van al laat voelen, echter, is de verwijdering van het onbereikbare van het hopeloze. De vingers van de ene partij die slechts vluchtig – meestal per ongeluk, zelfs – of in het geheel nooit de uiterste uiteinden van die ander aan zullen raken, geen kans krijgen om imperfectie en teleurstelling onder ogen te zien, het ware leven te onthullen als een serie van koude leugens en dodelijke blikken. De hopelozen ervaren nimmer het klamme zenuwenzweet dat de afstand tussen de poriën van zogenaamde geliefden overbrugt; mislukking laat hen in geheel koud, aangezien ze altijd in een utopie van vermeende verbondenheid blijven rondzweven.

Hij kijkt nog eens achterom en waant zich een week geleden: zelfs de afstand is hetzelfde. Terwijl ze wegloopt – die droom die van jou heeft gedroomd – wordt ze achtervolgd door letters “z” en onduidelijke leestekens, lijken de straten die ze daarnet nog bewandelde al te vergaan in een melange van eikenhout en brons-tinten: waar zij nu niet is, daar valt afstand in het niet en zo wordt de hopeloze dus omsingeld door een carrousel van kronkelige paden en gezellig-drukke straatjes. In de verte wapperen haar manen zich een weg door Poolse sisklanken en gekantelde letters “N” heen; de rest van haar lichaam volgt slaafs dezelfde weg die zodadelijk geheel aan mij zal toebehoren, maar waar ik niets aan heb. Juist dat ultieme gevoel van hopeloosheid, het besef te weten dat de afstand tussen ons twee het mooiste is er wat er ooit zal zijn, doet mij glimlachen – en gedurende een kort moment sta ik stil, midden op dat zichzelf verstillende en half-verhulde voetpad dat we zojuist nog samen bewandelden.

Moet ik achterom kijken? Waarom zou ik, eigenlijk? Ik weet dat de afstand groter wordt, de letters die ze meesleept kleiner en moeilijker te lezen: erg interessant zal zo’n krimpende stip, zo’n dovende ster nu ook weer niet zijn. Toch zoekt iets in mij naar een bevestiging van mijn toekomstig falen, die prachtige aaneenschakeling van lettertjes-Z waaraan alles mooi klinkt en waarin alles waarachtig en oprecht lijkt. Iets in mij weet dat onze handen elkaar nooit zullen beroeren, dat het beroerde gevoel van onhandige tijdloosheid in een nietszeggend gesprek ons nooit ten deel kan vallen – want zij is de onbereikbare, ligt al te ver achterop en maakt mij dus tot de hopeloze: een rol die ik met glans wil vervullen omdat geen enkel ander kostuum me ooit gepast heeft of nog zal passen. Een rol, bovendien, die nu eenmaal perfect in dit gevoelloze script van isolatie en vervreemding past.

Laat mij deze koperen herfst maar eens beleven zoals ik dat tien jaar terug ook al deed – deze keer met meer levenswijsheid op zak, weliswaar. Dus laat mij dan die obstakels herkennen als zaken die ik leerde te vergeten, en laat mij dan dezelfde fouten maken. Laat mij eens verdrinken in de boterzachte klanken waarin zij verdwijnt en waarop ik al mijn hoop heb gevestigd, geheel tevergeefs en daardoor juist zo getekend en omzoomd door realisme. En laat mij maar eeuwig onbegrepen blijven – want dat onbegrip is wederzijds, een samensmelting van ontheemde gedachten die enkel resulteert in een legering van verwarring, een oud element in een nieuwe verpakking, vergeven van letters Z en verstervende voetstappen van een verdwijnende straat. Laat mij deze afstand koesteren als de vertwijfelde poriën van een zogenaamd liefdespaar dat van enorm dichtbij een intense afstand op zich af ziet komen – een schouwspel vol rauw-realistisch weduwnaars-verdriet en onuitgesproken kreten om aandacht. Ik keer mij in mezelf en dat waardeert zij vast het meest in mij: zo raken we elkaar telkens een beetje aan, zonder daarbij ooit een vingerafdruk op het leven van de ander achter te laten. Ik, de hopeloze – zij, de onbereikbare; dit, alles we nodig hebben.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.