Q & A

Het Antwoord is simpel,
gevormd als een vlek –
ontsierd door een rimpel,
ontdaan van zijn rek

Want iedereen ziet het,
en ikzelf nog ‘t vaakst;
De spiegel verbiedt het:
De Vraag wordt gewraakt.

Toch blijft ‘t komen,
die laster, dat rot;
Dat zagen en bomen
van basten en knot

‘t Sloopt mij, ‘t doodt mij,
‘t Hoopt en ‘t quote mij;
‘t Haat vooral zichzelf
‘t Antwoord verstoot mij:
‘t noopt me tot tweestrijd,
‘t deelt zich dan door elf

De Vraag, niemand stelt haar –
ze loont niet de moeite;
Ja: graag wil men weg daar –
dat Antwoord, wat boeit ‘t?

‘t Antwoord, ‘t weet het,
onthoudt ‘t al jaren;
Geboren uit wreedheid,
vertrouwd met ‘t staren
‘n Staren naar waanzin –
‘n afkeer vol afschuw –
Naar blaren van onmin
naar oud zeer, ‘n zenuw

‘t Verstart en verhardt mij,
‘t verflardt en vergat mij;
‘t Denkt nooit eens echt terug
En dat verwarmt en verwart mij:
‘t tart me tot meelij –
maar vervliegt dan net te vlug

Want ik lees weer De Vraag af
in de kijkers van ‘n kijker,
Die het Antwoord vandaag gaf,
wat ‘t morgen wil ontwijken

De Vraag ziet ‘t grafisch –
ik zal het beschrijven;
Al is ‘t vaag-tragisch:
‘t Antwoord wil blijven

Het zijn putten en graven –
tussen proeven en slikken –
gevuld slechts met raven,
die naar bloed blijven pikken

Het zijn donkere dalen –
tussen zien en gedroomd zijn –
een flonkerend falen
in een kring van fantoompijn

Dan zijn er lelijke groeven –
geplaatst op het denkraam –
die diepgravend snoeven:
“Wij blijven hier staan”

Ik verneem hun protest
via ontsierende schelpen;
Ze doen toch hun best,
ik kan hen niet helpen;
Maar ik proef toch hun twijfel,
hun raadselend raden;
En bedeel ze een cijfer
weerkaatst tussen jade

Want ivoor is ‘t niet meer –
is dat ‘t ooit geweest?
‘t Bevroor, ontdooide toch weer;
gefreesd, verstrooid, gevreesd

Zo mist ‘t Antwoord elementen,
staat één bijzin uiterst scheef;
Geldt ‘t zilver als de rente
voor de waanzin waarin ‘t leeft

De roze banen om mijn spreekbuis,
die loden lanen naar mijn lijkhuis:
Ze verbergen slechts de stank van een rottende illusie,
zijn tastbaar als een klank vol niet-kloppende conclusies

‘t Vraagt mij, ‘t daagt mij,
verdraagt maar vervaagt mij:
Elk gedicht weet ‘t te winnen
‘t Slaagt want vertraagt mij,
‘t praat over wreedheid,
verplicht mij tot herbeginnen

En dus spreek ik weer tot allen
en is er niemand die ‘t zegt;
Want ‘t Antwoord zal nooit vallen
zolang ‘t zich aan woorden hecht

Terwijl de leren lap zijn lust uitstoot
kijkt het vragend hoofd omhoog;
Ziet de zweren waar ooit pus uit schoot,
ontwijkt bezwarend ‘t gedoogde oog,
waarin ader’n ademhalen;
waar – in andere kwade talen –
slechts de tong van wanhoop doordringt,
links en rechts De Vraag weer rondzingt

Als slierten speeksel glijdt de waarheid
in korte reeksen voorbij de paartijd;
Mijn poging ligt nu reeds aan stukken…

…Maar dat mag de pret niet drukken:
Men kan nog slagen in mislukken,
men mag nog hopen, op mijn leeftijd

Soms wil ik ‘t schreeuwen –
ik kan niets verliezen –
“Gedenk toch de eeuwen,
vergeet dan mijn kiezen;
Kijk dan eens dieper
naar die vlek op de heide;
Naar ‘t arme Ieper
en dat gaslek, ‘t lijden”
Want ‘t Antwoord biedt oorlog,
strijd vol verminking;
Noch weerwoord, noch iets nog,
leidt tot bezinking
(Enkel tot fouten)

Maar ik besef dan mijn waanzin,
dat oneerlijk eisen;
Keer terug naar dit onding,
naar ‘t langzaam vergrijzen;
Terug naar het heden,
die lelijke vlek;
Die onlogische reden,
geplaatst op mijn nek

Ik weet ‘t en draag ‘t –
U hult zich in stilte;
Toch stelt u de Vraag –
of slechts ‘n gedeelte:

“Ziet u ‘t zelf niet,
oh lieflijk Antwoord?”
“Vraagje, uit eerbied,
pleeg ik nu zelfmoord:
Morgen is er weer een dag”

En eindelijk er is die lach.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.