Geflitste Flarden

Terugdenken heeft al geen zin meer. Vooruitkijken is slechts een blik op het heden, en dat dan zeer minutieus. Voor je het weet, ligt alles al achter je, moet je morgen van de andere kant komen om het onaangetaste verleden weer als een flard toekomstmuziek te beschouwen.

Reizen met de trein heeft z’n voor – en z’n nadelen. Een voordeel is dat alles op een gegeven moment vertrouwd gaat ogen: bepaalde bomen die de bovenleiding half lijken te kussen, maar morgen nog steeds aan al het rondreizend vrouwvolk voorbij zullen gaan; een deels-verbrand gebouwtje in de verte van een afgelegen weiland en de koe die er rondjes om heen loopt; station “Tienen”, geschreven op een blauw bordje in witte letters, omsingeld door twee rode paaltjes, opgedirkt door een roeptoeter en een schakelkastje. Je weet waar je bent en dat het meeste hetzelfde blijft: zelfs van baan verwisselen is hoogst ongebruikelijk in het spoorweg-metier.

Daarin ligt natuurlijk ook een nadeel, een saaiheid, een herhaling van patronen zoals de patronen in mijn eerdere post, die verwezen naar herhalingen van patronen in eerdere posts. Maar al te graag zou je zien dat ze dat half-afgebrande huisje afbraken, die deels-kussende boom ommaaiden; het bordje “Tienen” eens niet te zien zonder de juiste route te missen. Vertrouwen en vervelen zijn beide werkwoorden waarin een mate van moeite verwerkt ligt – maar om je écht te kunnen vervelen, moet je eerst vertrouwd zijn met hetgeen waarop je blijkbaar bent uitgekeken.



Groen-rood-beetje paars-groen-geel zelfs- groen…” Ik probeer de voorbij-flitsende bomen te kussen, ze toe te voegen aan mijn collectie van potentiële verveling – maar ze gaan te snel, ze zijn te slim. Ze vormen dat gedeelte van mijn reis waarop focus geen vat kan krijgen, verveling dus geen raad mee weet… Maar toch voelt het vertrouwd, dat spel – met telkens dezelfde verliezer, immers. Om mij heen probeert alles en iedereen vat op mij te krijgen, wat helemaal zo moeilijk niet is. Van mens tot mens verschiet ik niet vaak genoeg van kleur om te blijven boeien, niet in mijn onnatuurlijk-natuurlijke habitat van tweeënhalve meter bij twintig meter in ieder geval. Voor anderen zal ik domweg een dommig knulletje met veel te grote oorkleppen op blijven, een jochie dat zijn tijd heeft gemist en zich daarom maar afsluit in een wereld die eindigt bij de dichtstbijzijnde stoelenrij van een geleende tweedeklas-wagon.

Hoog-laag-midden-midden…” verschieten verschillende struiken van onder de onderkant van het venster naar buiten de bovenzijde. Zou er iets eetbaars in die vage, verrijdbare stukjes natuur verscholen gaan? Is het hoge rood in de boom van zeventien milliseconden geleden wellicht een vlierbes of een papaja? Dat laatste lijkt zo onwaarschijnlijk, dat het te mooi is om het niet zo te laten zijn; morgen, aan de andere kant van het gelijk, op een nagenoeg-gelijk stuk rails, probeer ik mijn persoonlijke papaja van tussen Sint-Truiden en Landen met mijn ingebouwde diafragma te vangen, terwijl een halve boom eindelijk de bovenleiding omhelst en innige, vurige kussen uitdeelt – met vonken en al, waarna de trein tot stilstand dient te komen, iedereen mij weer negeert als ik voorbij het deels-afgebrande gebouwtje loop, de koe begroet en een trapje leen om dan eindelijk de papaja toch als vlierbes te herkennen, in mij op te nemen, mij er mee te vertrouwen en haar te schenken aan de koe die er op mag herkauwen opdat mijn moeite niet in verveling om zal slaan.

Ziet u: de zin van het leven is lang van stof: daarom kan niemand haar onthouden en probeert iedereen het de volgende dag gewoon weer opnieuw, maar dan vanuit precies de tegenovergestelde richting. Een jaarkaart als levensverzekering, zeg maar; een bewijs om de pogingen uit het verleden te staven aan een heden dat flinterdunne stukjes toekomst naar ons toegooit in compleet alledaagse vormen en geluiden.

Het bordje “Alken” komt eraan.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.