Kopstation

En dan komt ze terug,
opnieuw in mijn dromen
over een toekomst waaruit zij had moeten verdwijnen.
Vanachter mijn rug
voel ik haar opstomen:
haar mond, een gefluit – enkele wazige lijnen.

In Moskou nog wel,
op een groot station
dat ik nog niet eens ken;
waar ik de bordjes wel al kan lezen.
Dus ik zwijg en tel
de traptreden rondom
– waar ik onzeker van ben,
dat zij er hadden mogen wezen;
of zij er had mogen zijn.

Ik snap het niet,
had het haar toch al gezegd?

Mijn droom briest pathetisch en bedaart
– Och arm, arm zwart mechanisch paard!

En als ze mij dan ziet,
zwaait ze, zinkt ze, regelrecht;

En kijkt ze naar het ros,
aait het, klopt het op de kont,
laat de teugels dan toch los
en ploft haar hoeven op de grond.

Ze heeft me gezien,
we hebben gepraat;
een afspraak gemaakt
– waarin bovendien,
‘n ieder alles bij het oude laat.

Zo loopt ze verder,
wijst naar een stok in de lucht;
Naar een heilige herder
naar ‘n op-gok-op-de-vlucht.

Вход”, ik kan het bordje lezen,
Vchod,” spreek ik tot mijzelf.
God: daar moet ze dus niet wezen
Och wat,” splijt mijn droom zich door de helft.

Tien jaar later sluipt zij in mijn dromen:
Vchod” betekent “ingang”, namelijk;
Als zij daarlangs niet binnen is gekomen,
heeft ze er geen *piep* aan,
” stamel ik.

…*piep*…*piep*… 8:07AM.

Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.